Letterkundig erfgoed

Harry Mulisch (1927-2010) organiseerde zelf het beheer van zijn literaire nalatenschap, inclusief personeel. Hella Haasse (1918) bracht haar archief al onder bij het Letterkundig Museum in Den Haag. Remco Campert (1929) heeft geen zin om erover na te denken. De weduwe van Rudy Kousbroek (1929-2010) schenkt zijn literaire erfenis aan het Letterkundig Museum, de erven van Marten Toonder (1912-2005) deden hetzelfde.

Dat de weduwnaar van Gerard Reve (1923-2006) besloot diens archief te laten veilen, en dus tot het opdelen ervan, is zo vreemd niet. De bewondering die Reve ten deel viel en valt, is deel van zijn schrijverschap. Als er iemand begrip had voor het verlangen naar relikwieën, dan was het Reve.

Net als de gitaar van een overleden popster, kan een brief van een schrijver geld waard zijn. Zijn oude schrijfmachine ook, en zelfs de sweater waarmee de schrijver vaak werd gefotografeerd.

Hopelijk zal het Letterkundig Museum bieden op cruciale stukken uit de Reve-erfenis. Selectief, want niet alles hoort er thuis. In een recente televisiedocumentaire over de historicus Loe de Jong (1914-2005) kreeg een neef acuut de slappe lach bij een door het NIOD keurig ingerichte archiefdoos met De Jongs brillen. Begrijpelijk. Wat doen die dingen daar?

Heeft een auteur bij leven niets bepaald, dan beschikken de erven over wat hij naliet. Voorheen gingen literaire erfenissen zo ongeveer vanzelf naar het Letterkundig Museum. Zo makkelijk gaat het dus niet meer. Het moet er inmiddels rekening mee houden dat archieven een kapitaal kunnen vertegenwoordigen. Net als ieder museum moet het bepalen wat het beslist wil toevoegen en waarvoor het geld wil vrijmaken om te voorkomen dat er een gat in de collectie valt. De prijzen stijgen. Het Letterkundig Museum verwierf in 1996 het manuscript van Reves De Avonden voor 160.000 gulden, nu zou dat duurder uitvallen. Het lukte vorig jaar om sponsors te vinden voor aankoop van het typoscript van Ik Jan Cremer. Het beroemde omslagontwerp (Cremer op een Harley) werd verworven door het Rijksmuseum.

Het beheer van literaire nalatenschappen dient de wetenschap. Maar literatuur is meer dan alleen een studieobject. De archieven zijn ook onmisbaar om het publiek contact te laten maken met een schrijver. Een doorgehaalde regel in de eerste versie van een geliefd gedicht zegt zo veel.

Archiefbeheer is een reden van bestaan voor het Letterkundig Museum. Afwachten kan niet meer. Het museum mag niet pas op de stoep staan als iemand hoogbejaard is of overleden. Het moet investeren in regelmatig en strategisch contact, in de hoop tijdig afspraken te kunnen maken over een naar verwachting belangrijk archief. En wie weet verscheurt zo’n auteur dan minder snel zijn afgehandelde post, of de eerste print van een roman.