Laat mensen lekker aan de rand van de stad wonen

Waarom altijd proberen te bouwen binnen de stad? Aan de rand van steden is nog ruimte genoeg, zegt planoloog Maarten Hajer.

We weten eigenlijk al heel lang hoe we Nederland willen inrichten. De explosieve stadsuitbreidingen uit de jaren 50 en 60 zijn voorbij. Telkens een weiland buiten de stad volbouwen, vinden ruimtelijke ordenaars niet verantwoord. Al die nieuwe wijken in al die groeisteden gaan ten koste van waardevolle landschappen. Er ontstaat ‘verrommeling’. Bovendien hollen de ‘uitleglocaties’ de kracht van steden uit. Die verpauperen. Daarom is het adagium sinds een jaar of twintig: compact bouwen, binnen de stad.

Maar de praktijk is weerbarstig. Compact bouwen is minder succesvol dan gehoopt, vertelt directeur Maarten Hajer van het Planbureau voor de Leefomgeving. „Het gaat moeizaam.”

Vooral gezinnen trekken uit de stad om ‘suburbaan’ te gaan wonen. Het doel van eerdere kabinetten – ten minste 40 procent van alle nieuwbouw in bestaand bebouwd gebied – wordt net niet gehaald. En dat terwijl de Tweede Kamer in de Randstad liever 60 procent wil. De rijksadviseurs voor de Randstad adviseren zelfs 80 procent.

Ook bedrijven en kantoren blijven niet in de stad. Meer dan driekwart van de banengroei kwam tussen 2002 en 2008 terecht buiten de steden – terwijl het Rijk van hooguit 60 procent uitgaat. Hajer: „De stad is de laatste jaren als een sok binnenstebuiten gekeerd.”

Bouwen binnen de stad is veel duurder dan bouwen in het groen, wordt vaak gezegd. Een woning die buiten de stad is gebouwd, levert gemiddeld 8.000 euro winst op, terwijl een woning binnen de stad 10.000 euro verlies oplevert, blijkt uit onderzoek dat het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) vandaag presenteert.

Dat financiële verschil komt vooral, legt EIB-directeur Taco van Hoek uit, door „forse verliezen” bij het bouwen op voormalige fabrieksterreinen en dergelijke. Bij het volbouwen van groenstroken in de stad „spelen gemeenten vaak quitte”. En als je de aanlegkosten van soms „excessieve infrastructuur” bij wijken buiten de stad meerekent, blijkt compact bouwen op minder complexe locaties toch „globaal concurrerend”.

Conclusie: bouwen binnen de stad heeft de komende tien jaar „perspectief”. Mits je rekening houdt met de woonwensen van mensen in de steden. En mits je zorgt voor groen. „Daar hechten mensen veel waarde aan.” En ook nog: mits je in de steden kunt „woekeren met ruimte” zonder voortdurende hinder van regels. Zoals rigide parkeernormen. Of voorschriften voor hoogte en breedte van een trap die plaatsing van een royale keuken onmogelijk maken. Van Hoek: „Dat scheelt duizenden euro’s per woning. En in bijzondere situaties tienduizenden euro’s.”

In de binnenstad moet dus slim worden gebouwd. Appartementen, en behoorlijk veel groen in de directe omgeving. Dichtbij aantrekkelijke voorzieningen die stadscentra nu eenmaal bieden. Soms ook met bedrijvigheid die gedijt in het drukke stadsleven.

Misschien, suggereren experts, moeten we ook niet langer krampachtig proberen in de stad te bouwen, als óók ruimte beschikbaar is aan de rand ervan, gebied dat goed bereikbaar is.

„Ruimte voor verdichting is niet alleen te vinden in centrumgebieden van grote steden, maar ook in kleinere gemeenten en op goed bereikbare locaties buiten de binnenstad”, stelt Hajer. Daar hoeven geen snelwegen en spoorstations meer te worden aangelegd. Daar, in gebieden zoals Hoofddorp bij Schiphol, zijn bedrijven goed bereikbaar en zijn ook aantrekkelijke ‘woonmilieus’ te maken.

„Het charmante daarvan is dat er relatief veel groen is”, zegt Hajer.