Je kunt ook Plato de schuld geven

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Hoort het debat over kunst en subsidie thuis in de politieke arena?

Sinds wanneer is kunstsubsidie een linkse hobby? De meest exclusieve gesubsidieerde expositie die ik ooit heb bezocht, handen op de rug en in gedachten verzonken, was rechts.

Dat was de ‘Vrijdenkersruimte’ die VVD en PVV hadden ingericht naast hun burelen in de Tweede Kamer, voor kunstenaars met kritisch, omstreden werk over de islam.

Er hingen cartoons van Gregorius Nekschot, die van zijn bed was gelicht door justitie, columns van Theo van Gogh, vermoord door een jihadist, een stuk van Jaffe Vink, wiens blad Opinio de stekker eruit zag gaan na een satirisch stuk over Balkenende, en nog meer anti-islamitische creaties. Er hing ook een spotprent van de toenmalige premier, driftig bezig een kip te neuken (‘Premier Balkenende maakt een gebaar richting moslimgemeenschap: Kip is halal!’). Een Nekschot uit zijn fallische periode, zullen we maar zeggen.

De opening van die politiek gesponsorde Vrijdenkersruimte was ook wat je noemt een event. Want niet iedereen mocht er zomaar bij. Alleen op vertoon van een uitnodiging en een legitimatiebewijs, konden bezoekers zich er op 4 juli 2008 toegang verschaffen, via de hoofdingang van de Tweede Kamer. Het ging hier dus duidelijk om elitekunst. Maar dan had je ook wat. Kunstsubsidie als maatschappelijk wapen is kortom niet alleen maar een linkse hobby.

Waarom denken veel linkse mensen dan toch dat rechts iets tegen kunst zou hebben? En dan niet alleen tegen de subsidiëring ervan, maar tegen het verschijnsel zelf? Is niet subsidie, maar kunst zelf soms ‘links’?

Ook journalisten roerden die trom hevig, toen eind vorig jaar het kabinet-Rutte bekendmaakte het mes te willen zetten in de kunstsubsidies. Die waren, aldus de PVV, vooral ‘een linkse hobby’, net als subsidies voor milieuorganisaties.

NRC Handelsblad publiceerde een reeks kritische pamfletten over de plannen van staatssecretaris Halbe Zijlstra, plannen die worden gekenmerkt door ‘bezuinigingswoede en kwaadaardigheid’. PVV-ideoloog Martin Bosma verzette zich intussen tegen de kritiek dat zijn partij niet alleen subsidies, maar kunst zelf zou hebben getypeerd als een ‘linkse hobby’. De kunstredactie legde Bosma uitgebreid het vuur aan de schenen, nadat ijverig spitten in elk geval één (1) citaat uit 2007 van Geert Wilders had opgeleverd, dat moest bewijzen dat de PVV niet kunstsubsidie een ‘linkse hobby’ had genoemd, maar kunst zelf. Probleem: het citaat bleek nou juist niet van Wilders, maar van diens fractiegenoot Tony van Dijck.

En dan nog. Het citaat uit 2007 (dus drie jaar vóór het kabinet-Rutte) was op zijn minst dubbelzinnig Van Dijck zei letterlijk, in een belastingdebat: „Het is het kabinet gewoon te doen om meer linkse hobby’s te introduceren. Het is ook nooit genoeg: meer geld voor ontwikkelingshulp, kunst, cultuur, publieke omroep, inburgering, krachtwijken, brugbanen en ga zo maar door.”

Tja. Martin Bosma kon gemakkelijk volhouden dat het ook in dit citaat niet ging om de kunsten zelf waar de PVV zich tegen afzette, maar om de subsidiëring ervan. Waar komt dan toch het hardnekkige idee vandaan dat rechtse populisten ‘tegen kunst’ zouden zijn?

We kunnen de schuld natuurlijk geven aan Plato. Vooruit, die kan het ook wel hebben. De Griekse filosoof is in de Europese traditie immers berucht om zijn afkeer van kunstenaars. Een ideale staat, legde hij uit in De Republiek (en dat is geen democratie), kent strikte censuur en schrapt dichters als Homerus uit het onderwijs. Hun werk bederft de jeugd maar. Het ondermijnt het gezag van de autoriteiten door, bijvoorbeeld, angst voor de dood en hard lachen te bevorderen. Ja, de grote Griek komt hier dichterbij de Talibaan dan bij Kunststof.

Ook sommige latere filosofen hadden weinig op met de kunsten: niet streng genoeg, te verstrooiend, behalve flink ingesnoerd in religieuze restricties. Dat veranderde eind achttiende eeuw, toen Kant de kunst een voorname plaats gaf in zijn filosofische systeem. Latere Duitse filosofen als Schelling en Fichte, die een grote invloed hadden op de Romantiek, begonnen de kunsten op te waarderen tot een poort naar hogere waarheden. Volgens Schopenhauer was kunst, behalve totale ascese, zelfs de beste manier om aan het lijden van de wereld te ontkomen.

Politieke begrippen als links en rechts – laat staan ‘subsidie’ – zijn hier wat lastig toe te passen: Kant sympathiseerde aanvankelijk met de Franse Revolutie, net als veel Duitse filosofen, maar de Romantiek leverde ook genoeg reactionaire denkers op, vooral toen de guillotine in Parijs overuren begon te draaien. Schopenhauer wilde, volgens de overlevering, bij de revolutie van 1848 maar al te graag zijn toneelkijker uitlenen aan soldaten, zodat zij beter op het rapaille konden schieten.

Uit deze filosofische traditie stamt het idee dat kunst een autonome kracht is, en geen dienstmeid van keizers, koningen of pausen. Kunst is een medium voor vrije, individuele expressie – en dat kun je positief waarderen (zelfontplooiing!) maar natuurlijk ook negatief (decadentie!). De autonomie van de kunst kan verheffend en opbouwend zijn (Kant, de Romantici), maar ook anarchistisch en gezagsondermijnend (Plato, de Talibaan).

Autoritaire regimes die de status quo willen handhaven, of ze nu links of rechts zijn, wantrouwen kunst om die reden, en proberen kunsten vooral in te schakelen voor propagandistische doeleinden. Zie de glimlachende arbeiders in ‘sociaal-realistische’ Sovjet-kunst, of de blauwe ogen en stevige kaken van Germaanse vaders en moeders in kunst uit het Derde Rijk.

Maar voordat zo’n regime de macht heeft gegrepen, is het omgekeerde ook goed mogelijk. Kunst als revolutionaire kracht, als ontregeling van gezag en ‘oude politiek’, kan ook heel goed samen gaan met een rechtse ideologie. Waarom zou het omvergooien van een maatschappelijke orde alleen maar een linkse hobby kunnen zijn?

Neem de man die zijn „pistool wil trekken zodra ik het woord cultuur hoor”, een beruchte uitspraak die door links vaak wordt aangehaald als bewijs van rechtse afkeer van kunst. Dat was niet de nazi Herman Göring, zoals wel wordt gedacht, maar Hanns Johst, toneelschrijver. Een rechtse kunstenaar dus. De zin is afkomstig uit Johsts toneelstuk Schlageter (1933) en luidt letterlijk: „Als ik het woord cultuur hoor, ontgrendel ik mijn Browning.”

Zelfs nog wat plastischer dan in de parafrase, dus, zij het met een handvuurwapen van buitenlands fabricaat. Toch jammer.

Deze Hanns Johst (1890-1978) was wat je noemt een geëngageerde kunstenaar. In komedies als Die fröhliche Stadt (1925) maakte hij de Weimar-republiek belachelijk. In 1932 werd hij lid van de NSDAP. Schlageter, een ode aan een gesneuvelde nazi-terrorist, schreef hij voor de verjaardag van de Führer. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot 3,5 jaar.

Maar ook in Italië onderhielden kunstenaars en extreemrechts warme banden. Mussolini was een groot bewonderaar van het Futuristisch Manifest (1909), waarin Filippo Marinetti een esthetica van nietsontziende actie en geweld lanceerde. Dat was nu net de boodschap van het fascisme, meende Il Duce: alles komt in beweging! Marinetti schreef later ook het eerste manifest van Mussolini’s Fasci di combattimento.

In Duitsland namen de nationaalsocialisten een reactionaire afslag. ‘Ontaarde’ en ‘joodse’ kunst moest worden vernietigd, ten gunste van Arische kunst. Abstracte kunst, ‘elitekunst’ die alleen werd begrepen door kenners en verzamelaars, werd verruild voor monumentale en sentimentele odes aan het Duitse volk. De Führer zelf was tenslotte een mislukte schilder. Hij zag een grootse, esthetische taak voor zichzelf weggelegd: het Duitse volk herscheppen tot een Wagneriaans Gesamtkunstwerk. Zelfs de totale vernietiging die hij Duitsland in 1945 toewenste, kon daar nog deel van uitmaken.

Kortom, staat rechts vijandig tegenover de kunsten? Nee. Zowel extreemlinkse als -rechtse regimes zijn wars van een bepaald soort kunst: elitaire, abstracte, ‘moeilijke’ kunst die het volk op verkeerde, decadente gedachten kan brengen. Die moet in elk geval niet op kosten van de belastingbetaler worden bevorderd, vindt men.

En Nederland, met zijn subsidies? Net als in het debat om de multiculturele samenleving gaat het in deze gepolitiseerde kwestie om definitiemacht. Wie heeft de politieke macht om te bepalen in welke termen er over kunst gepraat wordt: de ‘grachtengordel’, de ‘elite’, de ‘staatsomroep’, ‘het volk’? En wie heeft de macht om te bepalen wat ‘het volk’ is, en vooral natuurlijk: wie daar wel of niet deel van uitmaken?

Het debat over kunst en subsidie past zo in de culture wars die in dit land zijn uitgebroken: de strijd om culturele hegemonie. Links kan maar beter ophouden met dromen dat kunst per se ‘progressief’ is, of dat rechts er per definitie een hekel aan heeft. Ook om de kunsten moet weer geknokt worden, niet alleen om de subsidie.

En de grootste kunst zou wel eens kunnen zijn: de kunst om de kunst uit de greep van de politiek te houden, links of rechts. Een samenleving waarin alles politiek is, zelfs de bril die mensen dragen en het schilderij dat ze aan de muur hangen, ontbeert nu juist datgene wat VVD en PVV kunstenaars zo graag gunnen: een ruimte om vrij te denken.