In 'Hedgistan' begint het feest nu pas goed

De roekeloze hedgefondsen zijn de financiële crisis vrijwel ongeschonden doorgekomen. Hun bloei begint nu pas, met de Kaaimaneilanden als lucratieve draaischijf in hun miljardendans.

De Airbus is nog maar nauwelijks in het op vier na grootste financiële centrum van de wereld geland, of de Caraïbische sfeer is een feit. Op de luchthaven van Georgetown worden de luchtreizigers verwelkomd met reggaeklanken. Tijdens de rit naar de stad stellen de Kaaimaneilanden zich voor – een Britse kroonkolonie, 500 zeemijlen ten zuiden van Florida, met een diepblauwe zee, huizen in pasteltinten en kokospalmen. In de haven verkopen vissers red snappers van armlengte, vers vanaf de boot, en slepen zonverbrande cruisepassagiers in korte broek en zwemschoenen belastingvrije inkopen achter zich aan.

Achter dit vakantiedecor verbergt zich een gigantisch internationaal geldcirculatiebedrijf. Georgetown is vandaag de dag een wereldcentrum voor de brievenbusfirma’s van de financiële economie; het officiële adres van duizenden ondernemingen, die belastingvriendelijke beleggingsproducten aanbieden; de thuishaven voor talloze filialen van banken uit de hele wereld.

De Kaaimaneilanden hebben zich de afgelopen twintig jaar vooral geprofileerd als het officieuze hoofdkwartier van de hedgefondsen, de meest agressieve, risicozoekende en geheimzinnige beleggingsvehikels ter wereld. Bijna 80 procent van alle hedgefondsen is in dit tropische paradijs vertegenwoordigd. Hiervandaan jongleren zij met duizenden miljarden.

Het is passend, dat de Kaaimaneilanden vroeger een piratenschuilplaats waren. Hedgefondsen zijn vrijbuiters – ze hebben louter gewin op het oog en zijn immer op zoek naar een nog vettere buit. Sommige fondsen kopen zich bij ondernemingen in en dringen vervolgens aan op hun lucratieve vernietiging. Andere fondsen speculeren tegen Griekse staatsobligaties en tegen de euro, op een stijgende cacaoprijs of op een dalende vraag naar olie. Zij leggen voorraden aan van oninbare leningen, zeldzame edelmetalen en unieke violen. Er zijn fondsen, die levensverzekeringspolissen opkopen en vervolgens speculeren op het overlijden van de rechthebbenden.

Wat ze allemaal gemeen hebben is het volgende. Twee jaar na het hoogtepunt van de financiële crisis zwemmen de hedgefondsen weer in het geld. En het heeft er veel van weg dat dit pas het begin van een nieuwe bloeiperiode is.

Wanneer deze supergokkers mistasten, kunnen de verliezen spectaculair zijn. Dat was het geval bij Amaranth, een hedgefonds, dat vier jaar geleden door zijn aardgasspeculaties instortte en in één klap zes miljard dollar verloor.

Hedgefondsen zitten risicovol in elkaar. Zij nemen hun riskante gokken met zó veel geleend geld, dat zij meer kunnen verliezen dan louter het ingelegde kapitaal van hun beleggers. Maar vaak gokken ze juist goed. De hedgefondsen zijn de meesters van het turbokapitalisme. Met hun miljarden en nog eens miljarden onder beheer hebben zij zich een eigen domein geschapen. Door Wall Street wordt dit liefdevol ‘Hedgistan’ genoemd, en het strekt zich uit van de groene, chique voorsteden van New York, via de Londense City tot aan Zürich, Hongkong en de Kaaimaneilanden.

Waarom de Kaaimaneilanden? Wie daarnaar vraagt, krijgt slechts vage antwoorden. De toezichthouders op de Kaaimaneilanden zouden een „vriendelijk klimaat” voor de branche hebben geschapen. „Belastingneutraliteit” is een ander kernbegrip, dat dan ter sprake komt. Op de Kaaimaneilanden bevinden zich uitgekookte professionals, die ervoor zorgen dat zo weinig mogelijk winst bij de fiscus terechtkomt.

Een van deze professionals is Mark Lewis. Hij is partner bij Walkers, een van de grootste, in internationale offshoretransacties gespecialiseerde advocatenkantoren. Lewis heeft een meestertitel van de Britse universiteit van Cambridge en zit al 26 jaar in het vak. „Waar ter wereld een klant ook vandaan komt, ik kan hem vertellen wat hij nodig heeft – vaak beter dan hij zelf”, zegt hij.

Lewis is ook een van de weinigen uit de hedgefondsbranche, die hier daadwerkelijk het hele jaar verblijven. De eigenlijke financiële managers bevinden zich veelal in New York of Londen en duiken slechts zeer zelden persoonlijk op het eiland op. Maar hun kapitaal – het kapitaal van hun beleggers – resideert hier onder de palmen.

Hoe dat in zijn werk gaat? „Laat ik u een alledaags geval beschrijven”, zegt Lewis. „Neemt u een Duits pensioenfonds in gedachten, dat bij een hedgefonds in de Verenigde Staten wil beleggen, dat op zijn beurt belegt in een infrastructuurproject in Brazilië.”

Bij zulke transacties stroomt het geld door diverse jurisdicties – in dit geval minimaal Duitsland, de VS en Brazilië. Overal willen de belastingautoriteiten meeprofiteren. En overal willen de belanghebbenden hun aanspraken juridisch beschermen. „Dat kan eigenlijk alleen maar op een plek als de Kaaimaneilanden, waar geen belasting wordt geheven, maar waar wel een betrouwbaar rechtsstelsel functioneert”, aldus de advocaat.

De Kaaimaneilanden zijn de draaischijf geworden, van waaruit hedgefondsen hun miljarden over de aardbol verdelen. Een geweldige business voor de daar gevestigde advocaten, bankiers en boekhouders. Zij hebben van de eilandengroep een van de rijkste oorden van de Caraïben gemaakt.

Maar twee jaar geleden stond het eilandparadijs plotseling voor een gevaar, dat groter was dan de orkanen die de Kaaimaneilanden regelmatig teisteren. Een tijdlang zag het ernaar uit, dat de financiële crisis ook de hedgefondsen zou gaan treffen.

De vroegere winstmachines van Wall Street verloren honderden miljarden, beleggers vluchtten, en in de branche had men het over de ondergang van fondsen alsof het een epidemie betrof. Al spoedig beleefden de Kaaimaneilanden een dermate onheilspellende crisis, dat zelfs over de invoering van belastingen werd nagedacht, wat tot dan toe taboe was geweest.

Maar tegenwoordig vliegen de miljarden weer heen en weer. Alleen al de afgelopen paar maanden hebben zich honderden nieuwe hedgefondsen bij de eilandautoriteiten gemeld. Dit jaar moet hun aantal het record van meer dan 10.000 fondsen uit 2008 kunnen evenaren.

Institutionele beleggers keren terug. Rijke particulieren steken nu zelfs meer geld in de hedgefondsen dan vóór de crisis. Alles bij elkaar beheren ze volgens Hedge Fund Research alweer zo’n 1.800 miljard dollar, na het dieptepunt van 1.200 miljard dollar vorig jaar.

Uitgerekend de hedgefondsen – die intussen door hun gewaagde inzetten als de grootste bedreiging voor het internationale financiële stelsel worden gezien – hebben de crisis beter doorstaan dat welke andere sector van de geldwereld ook. Zeker, een paar van de vele nieuwe maatregelen voor de financiële markten, die na de bankencrisis zijn overeengekomen, gelden ook voor de hedgefondsen. Maar het volle gewicht van deze hervormingen treft de banken, terwijl de veranderingen bij de hedgefondsen grotendeels als een lastige, maar dragelijke vorm van bureaucratie worden ervaren.

In de Verenigde Staten moeten zij zich nu bij de beurstoezichthouder SEC registreren en een nieuwe meldplicht accepteren. In Europa, waar het eerst op drastische ingrepen als de invoering van vaste beperkingen voor kredietopnames en kapitaalquota leek uit te draaien, is men in november, na lang touwtrekken tussen Londen, de vestigingsplaats van de meeste Europese hedgefondsen, en Brussel, op een duidelijk verwaterde versie daarvan uitgekomen. Hedgefondsen hoeven aan hun bedrijfsmodellen niets wezenlijks te veranderen.

Strikt genomen profiteren diverse hedgefondsen er zelfs van dat de toezichthouders de financiële markten de laatste tijd zo goed in de gaten houden. Zij hebben de banken ertoe gedwongen zich uit riskantere deals terug te trekken, waardoor kansen zijn geschapen voor de minder aan banden gelegde hedgefondsen.

In de Verenigde Staten moeten kredietverstrekkers hun afdelingen afsplitsen, die in naam en op rekening van de banken op de markten speculeren. Dat heeft veel handelaren op Wall Street zeer teleurgesteld. Een behoorlijk aantal van hen is sindsdien met eigen hedgefondsen zelfstandig gaan opereren. „Mij bellen dagelijks drie tot vijf jongens met nieuwe ideeën op, die een eigen fonds willen starten”, zegt Ron Geffner, een New Yorkse advocaat, die is gespecialiseerd in hedgefondsen.

Andere hedgefondsen hebben tegenwoordig zó veel geld in kas, dat zij zich met de kernactiviteiten van banken kunnen bezighouden – zij het met een hoger risico en duidelijk minder goed gecontroleerd. Zo hebben hedgefondsen op het hoogtepunt van de crisis geld geleend aan middenstanders, die door het opdrogen van de kredietstroom van traditionele banken geen geld meer konden krijgen.

„De hedgefondsen gaan steeds meer op gewone banken lijken”, zegt Mitch Ackles van de Hedge Fund Association. „De nieuwe regels voor banken zullen ervoor zorgen dat meer transacties zich verplaatsen naar het ongereguleerde circuit”, zo denkt Geffner.

Wie bij de hedgefondsen zelf naar meer details informeert, krijg je echter niet veel te horen. In deze branche is het gebruikelijk er het zwijgen toe te doen. Uitzonderingen zijn zeldzaam, maar Anthony Scaramucci is er één van. De New Yorker van midden veertig, zoon van een Italiaanse immigrantenfamilie, staat graag in het licht van de schijnwerpers.

Scaramucci is de organisator van Salt, het jaarlijkse rendez-vous van de branche in Las Vegas. Kort geleden heeft hij een boek over zijn ervaringen geschreven – ‘Goodbye Gordon Gekko’, een verwijzing naar de anti-held uit de succesfilm ‘Wall Street’ uit de jaren tachtig, over een meedogenloze bedrijvenopkoper.

Scaramucci, de baas van het fonds Skybridge, vindt dat de hedgefondsen ten onrechte aan de schandpaal zijn genageld als veroorzaker van de crisis. Hoe cynisch hun activiteiten dikwijls ook uitpakken, ze zouden de hele economie wel degelijk helpen: ze stellen kapitaal voor projecten en ideeën ter beschikking, waar andere marktpartijen wegens de risico’s niet zo snel mee over de brug zouden komen.

Scaramucci rekent zich tot de gelukkige overlevenden van de crisis. Zijn eerzucht is gegroeid: begin 2010 heeft hij voor vier miljard dollar de hedgefondstak van de in problemen verkerende Amerikaanse bank Citigroup overgenomen. Scaramucci’s specialiteit is dat hij een seeder is: een soort verstrekker van durfkapitaal voor de grootste waaghalzen in de financiële sector.

Scaramucci brengt nieuwe talenten samen met beleggers die een hedgefonds willen starten, en helpt hen met het vergaren van kapitaal. Daarvoor krijgt hij een aandeel in het nieuwe fonds. Als de start up succes boekt, incasseert hij zelf ook. „Het gouden tijdperk van de hedgefondsen moet nog beginnen”, zegt hij enthousiast.

Vermoedelijk heeft Scaramucci gelijk. Een groeiende en vergrijzende wereldbevolking is op zoek naar nieuwe mogelijkheden om geld te beleggen. Daardoor zijn deze fondsen überhaupt zo snel van exotisch speculatie-instrument voor rijke particulieren in een beleggingsinstrument voor pensioenfondsen veranderd.

Door de snelle opkomst van verschillende ontwikkelingslanden, zal de behoefte aan beleggingsvehikels als hedgefondsen nog verder toenemen. „Hedgefondsen beheren tot nu toe, in vergelijking met de klassieke beleggingsvormen, overzichtelijke sommen – daar is duidelijk nog ruimte voor groei”, zegt Sean Flynn, de oprichter van HF Fund Services, een onafhankelijke dienstverlener voor hedgefondsen, en een veteraan van de sector, die vroeger voor het Zwitserse UBS werkte.

„Ik zie beslist individuele fondsen met 50 miljard dollar of meer”, voegt een Wall Street-veteraan daaraan toe, die hedgefondsen bij een grote internationale bank beheert. Dat komt overeen met het bruto binnenlands product van Wit-Rusland.

De hedgefondsen zijn niet alleen weer in de gunst van beleggers gekomen. In kringen van de Amerikaanse centrale bank, waar eigenlijk de stabiliteit van het hele financiële systeem de hoogste prioriteit zou moeten hebben, hoort men dezer dagen nauwelijks kritiek. Zelfs politici en academici in Amerika zijn enthousiast over de fondsen.

Afgevaardigde Henry Waxman – die bij hoorzittingen van het Congres zo graag Wall Street-bankiers laat opdraven – feliciteerde kort geleden bij een hoorzitting over de financiële crisis de uitgenodigde hedgefondsmanagers met hun successen en stelde hen tot voorbeeld. Hedgefondsen zouden beter geschikt zijn dan banken om bepaalde risico’s op zich te nemen, en bij een faillissement zouden ze niet meteen het hele financiële stelsel gevaar laten lopen, zo betoogt Sebastian Mallaby, onderzoeker van de financiële wereld bij de conservatieve denktank Council on Foreign Relations. De toezichthouders zouden deze „kleinschalige risiconemers” zelfs moeten aanmoedigen.

Wat een flauwekul. Deskundigen van de financiële markten zou de bijna-catastrofe met het hedgefonds Long Term Capital Management (LTCM) nog helder voor ogen moeten staan. Die firma, mede opgericht door twee Nobelprijswinnaars, stortte tijdens de roebelcrisis van 1998 in. Omdat LTCM bij veel banken geld had geleend, dreigden deze instellingen destijds zelf meegezogen te worden – een kettingreactie, die intussen maar al te vertrouwd klinkt. Louter dankzij een gezamenlijk initiatief van de Wall Street-firma’s, die miljarden in het financiële systeem pompten, kon destijds een wereldwijde paniek worden voorkomen.

Sindsdien zijn de hedgefondsen alleen maar groter en mondialer geworden en meer onderling verknoopt geraakt. „Ideaal zou een internationale regeling voor het toezicht op de hedgefondsen zijn”, meent Dale Rosenthal, die bij LTCM heeft gewerkt en tegenwoordig hoogleraar Financiën aan de Universiteit van Illinois is.

Maar Rosenthal ziet daartoe weinig kansen. „Het is hetzelfde als wanneer je probeert autorijders van de snelweg te krijgen, zodat het verkeer beter kan doorstromen. Op zich een goed idee, maar dan wel voor de anderen. Iedereen wil graag de uitzondering zijn.”

De hedgefondsen profiteren van de concurrentie tussen de financiële centra New York en Londen. Die bespeuren bovendien de concurrentie uit Azië, en niemand wil de deur voor de neus van de ‘hedgies’ dichtslaan. Integendeel: Singapore heeft onlangs de regels versoepeld. En daarom luidt het parool in de Washingtonse of Londense politiek: regulering ja, maar niet op zo’n manier dat daardoor kapitaal en werkgelegenheid verloren gaan.

Zo wordt dat ook gezien in het land dat in de hele wereld het meest van de hedgefondsen profiteert. De Cayman Islands Monetary Authority (Cima) is gevestigd in een blauw neokoloniaal pand, waar de toezichthouders werken onder het portret van een lachende koningin Elisabeth II.

Langston Sibblies is eraan gewend de Kaaimaneilanden en de Cima te moeten verdedigen – tegen het eeuwige verwijt dat het een paradijs voor belastingontduikers en witwassers zou zijn, en tegen de beschuldiging dat men hier graag een oogje toegeknijpt.

In zacht Caraïbisch-Engels wijst Sibblies al deze verwijten van de hand. Maar op de vraag hoe zijn kleine bezetting van 36 ambtenaren toezicht kan houden op de miljardenrisico’s bij duizenden hedgefondsen, wrijft hij eerst eens door zijn korte witte baardje.

Er is regelmatig informatie-uitwisseling, zegt Sibblies dan, naast het uitgekiende elektronische meldingssysteem en de jarenlange ervaring. „We hebben er belang bij, dat zoiets als de financiële crisis zich niet nog een keer voordoet – tenslotte leven we hier van de financiële transacties”, zegt hij.

Het is dus geen enkele vraag: de Kaaimaneilanden willen graag de hoofdstad van ‘Hedgistan’ blijven. ’s Avonds op het terras van de Calypso Grill – specialiteit: inheemse zeekreeft en champagne – zijn alle tafeltjes bezet en worden de donkere schaduwen van twee jaar geleden weggeblazen door een milde Caraïbische bries.

© Die Zeit

Vertaling: Menno Grootveld