Het portret in toga mag weer

Geert Boering blies de traditie om als hoogleraar de universiteit bij je afscheid een portret te schenken nieuw leven in. „Veel emeriti hebben er een heel goede tijd gehad. Zo doe je wat terug.”

Ze hangen in de senaatkamers van bijna alle universiteiten, in rijen boven en naast elkaar: hoogleraarportretten uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw. Vanuit hun lijsten houden de heren in toga (en een enkele dame) postuum toezicht op vergaderingen, symposia en buluitreikingen.

Ook de Rijksuniversiteit Groningen heeft zo’n portrettengalerij, die zich al eeuwen bevindt in het academiegebouw aan de Broerstraat. De collectie kon worden gered toen in 1906 het gebouw uitbrandde. In de twintigste eeuw werden er nog werken aan toegevoegd van beroemde portretschilders als Jan Veth, Isaac Israëls en Sierk Schröder.

De traditie van scheidende hoogleraren die hun portret aanboden aan de universiteit bleef bestaan tot begin jaren zeventig, vertelt Geert Boering (1929), emeritus hoogleraar mondheelkunde. „Toen kwam de democratisering. Jezelf in toga laten portretteren was not done. Het werd gezien als een teken dat je je als hoogleraar verheven voelde boven de andere docenten en studenten.”

Boering ziet dat verband met ijdelheid of superioriteitsgevoel niet. „Het portret toont de relatie van werknemers met hun werkgever. De emeriti hebben soms wel dertig jaar dankbaar gebruik gemaakt van de faciliteiten van de universiteit. Velen hebben er een heel goede tijd gehad. De universiteit stelt er prijs op dat de portrettengalerij wordt aangevuld, dus het is niet zo vreemd om bij je afscheid je portret cadeau te doen.”

Zelf liet Boering in 1999, toen hij met emeritaat was, zijn portret schilderen door Carla Rodenberg. Het kwam niet in senaatszaal te hangen, want die was vol, maar in de faculteitskamer geneeskunde. „Dat was in het begin wel spannend, want mijn portret hing daar als enige op die grote wand. Mensen die er zaten te vergaderen, vroegen zich af: wat doet Boering daar nou? Maar het was een proef: ik schonk mijn eigen portret om eens te kijken of het wou. Al gauw waren er vijf bevriende hoogleraren die zeiden: ja, wij doen mee. Langzaam maar zeker ontstond er in de faculteitskamer een nieuwe galerij.”

Zo blies Boering de eeuwenoude portrettentraditie nieuw leven in. Niet eerder werden er zoveel hoogleraarportretten aan de universiteit geschonken: in de afgelopen twaalf jaar kwamen er zo’n 130 bij. Ze hangen in zes verschillende zalen van het academiegebouw.

Boering, inmiddels 81, fungeert meestal als intermediair tussen de emeriti en de portretschilders. „In het begin was ik een leek. Voor mijn eigen portret koos ik Carla Rodenberg, omdat zij portretten had gemaakt van de koningin en een aantal kamerleden. Ik dacht: daar heeft vast een of andere kunstcommissie langdurig over vergaderd, dus dat moet een goede schilder zijn. Toen het project van de grond kwam, ben ik reproducties gaan verzamelen van hedendaagse portretschilders. Ik ging ook naar de Portretwinkel in Haarlem en naar de jaarlijkse tentoonstelling van het Nederlands Portretschap.”

Op den duur kon hij de Groningse hoogleraren documentatie voorleggen van „de beste portrettisten die er in Nederland voorhanden zijn”. Er zijn uiteraard veel noordelijke realisten bij: schilders uit de school van Matthijs Röling, die tientallen jaren docent was aan de Groningse Academie Minerva. Van Röling zelf zijn er drie portretten in de collectie opgenomen, waaronder dat van zijn eigen vader, de bekende hoogleraar Volkenrecht Bert Röling. Ongeveer de helft van de schilders komt níet uit de regio – goede portrettisten als Joanna Quispel, Frank Leenhouts en Arie Schippers, bijvoorbeeld.

Geert Boering is inmiddels behoorlijk deskundig op het gebied van de portretschilderkunst. „Ik heb me altijd laten voorlichten, door de kunstenaars zelf of door kenners als Sacha Tanja, die conservator was van de ING-kunstcollectie. Van haar heb ik de eerste vier jaar vaak advies gekregen.”

Tanja overleed in 2004. Te harer gedachtenis werd een jaar later de Sacha Tanja-penning in het leven geroepen, een onderscheiding voor mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de Nederlandse figuratieve kunst. Dit jaar is de prijs toegekend aan Geert Boering.

„Zijn inspanningen zijn puur idealistisch en hebben geleid tot de opdrachtverstrekking aan vooraanstaande figuratieve kunstenaars”, zei Rijksmuseumdirecteur en juryvoorzitter Wim Pijbes bij de uitreiking, vorige week tijdens de Realismebeurs in Amsterdam.

Volgens Boering zit zijn werk er nog niet op. Er ontbreken nog enige eminente hoogleraren in de galerij. Hij zorgde er al voor dat er postume portretten werden geschilderd van de psycholoog Gerard Heymans (1857-1930) en de wiskundige Frits Zernike (1888-1966), en het liefst zou hij ook zien dat er een portret kwam van geograaf en schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995). „Vanwege zijn boek Onder professoren wordt hij door sommige mensen hier gehaat. Maar over honderd jaar doen persoonlijke vetes er niet meer toe, dan hoort zijn portret hier gewoon te hangen.”

Hetzelfde geldt voor de psychiater en dichter Rutger Kopland, die zichzelf bij zijn afscheid niet heeft laten portretteren, en voor de kunsthistoricus Henk van Os, die sinds 1996 hoogleraar is in Amsterdam. „Die mensen hebben veel voor de Groningse universiteit betekend”, aldus Boering. „Die zijn van ons.”

Jolanda Oosterheert e.a.: ‘In vol ornaat. Vier eeuwen Groningse senaatsgalerij.’ Universiteitsmuseum Groningen, 2009. 287 pp., € 49,95.