Fanfare blaast dan maar gratis

De economische malaise dwingt dorpen en steden in Spanje tot zuinigheid. In de badplaats Estepona rijdt de bus niet meer en ligt het groen er verwaarloosd bij.

Estepona, 19 jan. - Het is chaos op het busstation van Estepona, een badplaats aan de Costa del Sol. „Komt de bus vandaag nog?” vragen twee jongens zich af nadat ze al een half uur bij de halte hebben staan wachten. „Er rijden geen stadsbussen”, verklaart de loketbediende van de plaatselijke busmaatschappij. Ook later op de dag niet? „Nee. Niet zolang de gemeente ons niet betaalt.”

Estepona, een gemeente met 60.000 inwoners, is een van de vele dorpen en steden in Spanje met grote financiële problemen. Tijdens de vastgoedhausse, die eind jaren negentig begon, verdienden gemeenten goud aan de verkoop van bouwgrond en afgifte van vergunningen. Goedkoop krediet was ruim voorhanden. Lagere overheden konden probleemloos lenen en hun uitgaven opvoeren.

Door de kredietcrisis spatte in 2008 de bouwzeepbel en belandde Spanje in een slepende recessie. Terwijl hun inkomsten sterk daalden, kampen gemeenten nu met personeelsoverschotten en miljoenenschulden, die zwaar op hun begrotingen drukken. Het dwingt hen overal in het land tot scherp bezuinigen.

Mede hierdoor rijden in Estepona sinds begin dit jaar geen stadsbussen meer. De particuliere busmaatschappij staakte haar dienstverlening omdat ze naar eigen zeggen nog ruim 1 miljoen euro van de gemeente tegoed heeft. Pas als het juridische conflict over die openstaande rekening is opgelost, kunnen de inwoners van Estepona mogelijk weer met de bus.

Soms is de nieuwe zuinigheid materiaal voor grappen. Zo had de feestelijke Driekoningen-intocht, begin deze maand, dit jaar „een racistisch tintje”, vertelt inwoner Luis Díaz lachend. „Andere jaren had de optocht ten minste drie praalwagens, voor elke koning één. Dit jaar had de gemeente er maar twee gehuurd. En welke koning stond er alleen op de achterste wagen? Balthasar, de zwarte van de drie.”

Vaker leiden de bezuinigingen tot schrijnende situaties en hoogoplopende politieke en juridisch conflicten. Bijvoorbeeld rond de gemeentelijke muziekband. De ruim anderhalve eeuw oude fanfare van Estepona is een begrip in de regio. Decennialang betaalde de gemeente de ongeveer zestig muzikanten maandelijks een vergoeding voor het spelen rond feestelijkheden en tijdens zomerse zondagavonden.

Dit gebeurde altijd zonder arbeidscontract, maar de band was wel in de gemeentebegroting opgenomen. Enkele jaren geleden besloot een financiële toezichthouder dat dit in feite een vaste arbeidsrelatie was. De gemeente moest de bandleden een deeltijdcontract geven en sociale premies afdragen, met terugwerkende kracht voor vier jaar.

Het conflict dat vervolgens uitbrak, viel samen met het begin van de crisis. De socialistische burgemeester stelde zich op het standpunt dat de fanfare onafhankelijk van de gemeente moest worden.

Een grote meerderheid van de bandleden begon te procederen, tot aan het regionale hooggerechtshof van Andalusië. Dat stelde hen vorig jaar in het gelijk. De gemeente voert het vonnis echter niet uit – al ging ze er ook niet tegen in beroep.

De bandleden hebben inmiddels 19 maandbetalingen van de gemeente tegoed. Volgens de socialistische vakbond UGT, die de band juridisch bijstaat, bedraagt de rekening voor de gemeente al ruim een miljoen euro.

Volgens wethouder Silvia Cabrera van Cultuur wordt er alles aan gedaan „de situatie zo snel mogelijk te normaliseren”. Maar naast verscheidene „juridische complicaties” die nog opgelost moeten worden, stelt ze dat uitbetaling nu niet mogelijk is. „Het geld is gewoon op.”

Bandlid Jesús Fernández begrijpt dat best. Vorige week, vertelt hij, werd het vuilnis niet opgehaald. „Omdat er geen geld zou zijn een kapotte vuilniswagen te repareren.” Net als andere bewoners klaagt hij dat het groen in de stad er verwaarloosd bij ligt nu de plantsoenendienst is ingekrompen. Dit terwijl de badplaats het moet hebben van het toerisme, dat toch al is ingestort door de crisis.

Maar, vindt Fernández, al die financiële problemen vormen nog geen reden om de band zo te behandelen. In het kantoortje van het autoverhuurbedrijf dat hij bestiert, legt hij uit dat de fanfare emotioneel veel voor Estepona betekent. „Maar de gemeente lijkt te vinden dat het weinige waar ze nog geld in steekt, ook iets moet opleveren.”

De fanfare is de afgelopen anderhalf jaar daarom blijven optreden, onderwijl protesterend. „Als we niet spelen, verdwijnt de band.”

Collegabandlid Francisco Aragón komt even buurten in het kantoortje van Fernández. Aragón heeft een handel in keukenmeubilair, maar sinds de crisis maakt die alleen maar verlies, zegt hij. „Later dit jaar verwacht ik de stekker eruit te trekken.”

Zoals bijna de helft van de inwoners van Estepona – dat een officieel werkloosheidscijfer van 45 procent heeft – zal Aragón dan zonder (wit) werk zitten. Maar het aanvragen van een uitkering kan nog problemen opleveren, vreest hij. Andere werkloze of gepensioneerde bandleden werden de afgelopen maanden al gekort op hun uitkering. Dit omdat ze, volgens de uitspraak van het Andalusische hooggerechtshof, in dienst van de gemeente zouden moeten zijn.