Den Haag dropt ideeën VS over Iran bij EU

Diplomatenpost

De Amerikaanse ambassade in Den Haag krijgt vaak bezoek van Nederlandse diplomaten met informatie over Iran. Over het beleid inzake de JSF horen de Amerikanen meer dan de Tweede Kamer. Ook over de bemoeienis van de Venezolaanse president Chávez met de Antillen wordt vaak gepraat.

Als een jonge diplomaat in november 2009 na haar eerste twee maanden in Teheran in Den Haag terug is, gaat ze langs bij de Amerikaanse ambassade. Ze brengt verslag uit wat ze daar zoal heeft gezien en gehoord. De privatiseringsinspanningen van de Iraanse regering zijn „vals” want overheidsbedrijven worden in feite aangekocht door de Revolutionaire Garde. Ondanks de sancties kan ze alles wat ze nodig heeft in Iraanse winkels vinden. Ze gelooft dat de meeste Iraniërs het satellietnieuws van de BBC en Amerikaanse netwerken aanzetten in plaats van de door de regering gecontroleerde media.

Uit de Amerikaanse ambtsberichten die deze krant in handen kreeg via de Noorse krant Aftenposten blijkt dat de Amerikaanse ambassade veel bezoek krijgt van Nederlandse ambtenaren en diplomaten die over Iran komen praten. Meer dan honderd keer tussen juni 2003 en begin vorig jaar staat daarbij het Iraanse nucleaire programma centraal en hoe de VS en Nederland dat kunnen frustreren.

Maar de ambassade blijkt in álles wat met Iran verband houdt geïnteresseerd voor doorzending naar het State Department. En Den Haag is met zoveel woorden bereid alles te delen. Zelf hebben de Verenigde Staten geen vertegenwoordiging in Teheran.

Wat in de diplomatieke post opvalt is de eensgezindheid en coördinatie van tactieken tussen beide landen. De Amerikanen volgen altijd een harde lijn jegens Teheran, maar al helemaal sinds de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush Iran in 2002 indeelde bij de As van het Kwaad. Iran heeft een geheim nucleair wapenprogramma, is beider overtuiging – de Nederlandse militaire inlichtingendienst, zegt non-proliferatie chef van Buitenlandse Zaken in november 2003 tegen de ambassade, heeft zijn bureau laten weten dat het Iraanse programma „er niet uitziet als een civiel programma”. En dat programma moet koste wat het kost worden gestopt.

De Nederlandse regering gaat daarin meestal verder dan andere EU-lidstaten. Ze klaagt vaak over gebrek aan eenheid binnen de EU en wordt door de ambassade gevraagd Amerikaanse ideeën te laten rondgaan onder de EU-partners. In juli 2003 bijvoorbeeld vraagt de ambassade twee bezoekende hoge ambtenaren binnen de EU te opperen dat Iran zich moet verplichten zijn streven naar een volledige nucleaire cyclus op te geven. Dat zal Nederland in september doen, beloven ze. Maar dan moet Washington op zijn beurt Nederland helpen de zaak hard te maken door „harde feiten aan goede partners” te verschaffen in de vorm van extra informatie over het Iraanse programma. De ambassade moedigt de Nederlanders aan de Iraanse nucleaire kwestie te bespreken met India en niet-gebonden landen in Latijns Amerika. Zij zeggen toe hun missies in die hoofdsteden te instrueren de kwestie aan de orde te stellen.

Bij het Nederlandse EU-voorzitterschap is er tijdelijk een dip in de Amerikaanse beoordeling. „Bezien vanuit Amerikaans standpunt is Nederland als voorzitter een goede zaak voor het transatlantische partnerschap. Maar de geneigdheid van de Nederlandse voorzitter tot neutraliteit blijft zijn bereidheid beperken tot assertiviteit op punten van zorg voor de VS.” De kwestie-Iran is een voorbeeld van deze tendens, aldus ambassadeur Sobel in oktober 2004.

Maar dat komt na het voorzitterschap goed, helemaal als Maxime Verhagen in februari 2007 als minister van Buitenlandse Zaken is aangetreden. Hij vertelt ambassadeur Arnall dat hij „verbaasd” was geweest over het Amerikaanse besluit om gewapenderhand tussenbeide te komen in Irak, omdat Iran hem destijds het grotere gevaar toescheen – en nu was dat een nog moeilijkere uitdaging. Verhagens inspanning om nog voor hij als minister aantrad de ambassadeur te ontmoeten „suggereert sterk dat hij een solide en effectieve vriend zal zijn in het kabinet Balkenende IV”.

Rond diezelfde tijd komt een Nederlandse diplomaat uit Teheran, die in Den Haag is voor consultaties, verslag uitbrengen. Internationale druk en sancties verminderen de populariteit van president Ahmadinejad, zegt hij, hoewel de Iraanse regeringspropaganda zeer bekwaam is – een effectief mengsel van leugens en waarheid. Hij zegt ook dat de veroordeling door zijn eigen regering van de executie van verscheidene homoseksuele mannen het jaar tevoren politiek gemotiveerd was en niet de mogelijke schuld van de mannen aan de tenlastelegging van verkrachting en moord verdisconteerde. De Amerikanen hebben daar verder geen commentaar op.

Zijn verslag over de openheid van de maatschappij en de westerse huisfeesten met alcohol is van heel andere aard dan de informatie die een andere hoge Nederlandse diplomaat uit Teheran in februari 2009 geeft. De Iraniërs „zitten duidelijk achter de bom aan”. Het doel van hun verrijkingsprogramma is niet zozeer een effectief wapen te bouwen als een bom te testen om hun onderhandelingspositie met het Westen te versterken. Maar veel van de centrifuges voor uraniumverrijking zijn in Iran gebouwd en storten in elkaar. De sancties werken, maar treffen de verkeerde mensen, niet het regime maar zakenlieden. Hij zegt dat Nederland bereid is informatie te delen op basis van wederkerigheid en onder strikte leiding van zijn ministerie. Bijvoorbeeld: als de Amerikanen concrete informatie geven om op af te gaan, wil Nederland kijken naar bedrijven die mogelijk zaken doen in Teheran.

Het verslag eindigt met een grapje: het verkeer in Teheran is verschrikkelijk; het is kennelijk een van de werktuigen van onderdrukking van het regime. Dat heeft de jonge diplomate die in november van dat jaar langskomt ook al ervaren. „Het zware verkeer, het lawaai en de ontregeling veroorzaakt door nachtelijke bouw en zware milieuverontreiniging ondermijnen allemaal het moreel.”