'Beestjes houden van schone mensen'

De De Hoger Opgeleide Vlo is een rubriek over ‘alles dat jeukt’ die de Achterpagina onregelmatig bespringt. De titel is afgeleid van Cole Porters liedje ‘Let’s Do It’ (zie kader over motten en Dorus) ’ Zoals daaruit al blijkt, beziet De Hoger Opgeleide Vlo het wriemelend gebeuren ruim: cultureel, biologisch, historisch. Ervaringen over dat wat wriemelt, prikt of jeukt van lezers, zijn welkom op achterpagina@nrc.nl.

Over de naam van deze rubriek kregen we inmiddels een brief binnen van een lezer, Jan Hartman. De rubriekstitel is onjuist Nederlands, schrijft hij. Het moet niet zijn De Hoger Opgeleide Vlo, maar De hoogopgeleide vlo. Al die hoofdletters en spaties en die onterecht vergrotende trap, allemaal fout. Ook al gebruiken steeds meer mensen, zoals GroenLinks-leider Jolande Sap ook wel de uitdrukking ‘hoger opgeleiden’.

Alleen voor het logo van de pijprokende vlo bij de rubriek, ontworpen door Peter ter Mors, kan Hartman wel waardering opbrengen: die doet hem denken aan de pijprokende auteur Godfried Bomans. De redactie van de Hoger Opgeleide Vlo twijfelt er niet aan dat De hoogopgeleide vlo onberispelijker Nederlands is dan De Hoger Opgeleide Vlo. Maar we houden toch vast aan die naam, omdat die a. springeriger is en b. omdat het een verwijzing inhoudt naar het beroemdste lied over vlooien in Nederland, Het vlooiencircus van het Cocktailtrio, met daarin de enthousiaste uitroep:

„Hoger sprong nog nooit een vlo!”

Wie denkt aan de ‘hoger opgeleide(n)’ of 'hoogopgeleide(n)’ discussie nog iets te kunnen toevoegen: achterpagina@nrc.nl

Paul Steenhuis

Gewriemel in Tadjikistan

Lezerspost. Vera Gielen uit Bloemendaal schreef over deze wriemelervaring:

We kwamen terug van een weekje trekken (met tent) door het Fanski gebergte in Tadjikistan. De laatste nacht zouden we doorbrengen in een huis van lokale bewoners. We arriveerden in een huis dat van onder tot boven vol hing en lag met kleden. Mijn man en ik besloten ons voor het eten te gaan douchen met behulp van een tuinslangachtige constructie in een washok. Dat hadden we beter niet kunnen doen, bleek de volgende dag. ‘s Avonds heel gezellig gegeten, zittend op de vloer temidden van ons gastgezin. Tot dan was alles goed gegaan. ’s Nachts kon ik de slaap niet vatten. Verbeeldde ik het me, of liepen er allemaal beestjes over me heen? Ik wilde niet kinderachtig zijn, en bleef zo rustig mogelijk liggen, klaarwakker.

’s Ochtends vertelde mijn man me dat ook hij ’s nachts het gevoel had gehad dat er beestjes over hem heen liepen. Hij had toch blijkbaar niet zo lekker geslapen als ik dacht. Even later, in het busje richting de grens met Oezbekistan, vergingen we van de jeuk. Op onze buiken en ruggen telden we later ieder rond de 80 bulten. Niemand in ons groepje had er last van gehad, wij waren de enigen. Later hoorden we dat ‘bedbugs’ heel blij zijn met schone mensen, die zijn extra aantrekkelijk voor ze. Eenmaal thuis, lieten we onze reistassen buiten en zijn we telkens met wasgoed naar de wasmachine gerend. Gelukkig geen beestjes meegenomen. Vrienden hoorden met afgrijzen ons reisverhaal aan en krabden onderwijl aan hun benen. We hebben nog wekenlang ‘lol’ gehad van onze beten. Iedere avond voor het slapen, stonden we elkaars bulten met in kamferspiritus gedoopte watjes te deppen om ’s nachts niet van de jeuk te vergaan. Na een week of zes was alle ellende achter de rug. Slapen bij ‘locals’? Niet zo gauw meer.

Vera Gielen