Wijnen uit gekruiste druivenrassen, en toch lekker

Veel traditionele wijndruiven blijken klonen van elkaar. Toch is de druif genetisch diverser dan de tomaat, wat hoop geeft op milieuvriendelijker rassen.

Merlot druif Foto: David Carrero Fernández-Baillo

Heerlijk, een wijntje na het werk. Maar helaas is 99 procent van de wijnen niet milieuvriendelijk. Druivenbouwers spuiten vaak wel zo’n twaalf keer per seizoen gif tegen de echte meeldauw en de valse meeldauw.

Gelukkig blijkt de druif, Vitis vinifera, wereldwijd een enorme genetische diversiteit te bevatten, veel groter dan die van de tomaat en ten minste zo groot als die van maïs. Amerikaanse en Zwitserse druivenonderzoekers schrijven vandaag in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS dat druivenveredelaars die genetische diversiteit moeten aanspreken, om de traditionele zogeheten ‘cultivars’ (rassen) resistent tegen ziektes te maken. Dan kunnen druivenboeren minder spuiten.

Bekend was natuurlijk al wel de enorme variëteit aan smaken van wijndruiven – Chardonnay, Merlot, Riesling, Viognier en vele anderen. En ook dat elke cultivar heel specifieke eisen stelt aan bijvoorbeeld wind, vochtigheid, kalk of seleniumgehalte in de bodem. Nu blijkt deze rijkdom aan eigenschappen ook op DNA-niveau terug te vinden. De onderzoekers vonden dit door met DNA-chips duizend verschillende wijndruiven, tafeldruiven en sultana’s (krenten) te analyseren op 9.000 van de 70.000 bekende genvarianten.

De genetische diversiteit is een meevaller. Eeuwenlang zijn namelijk vooral stekken – dus klonen – geplant. Cultivering van de wilde druif begon zo’n zes- tot achtduizend jaar geleden in Mesopotamië, waarna de wijnbouw zich rond 2500 voor Christus verspreidde over India, Egypte en China. Rond 800 voor Christus brachten de Grieken en Feniciërs wijnstokken naar Zuid-Europa, dat toen het nieuwe centrum van de wijnbouw werd.

Wijnbouwers plantten zelden kruisingen tussen cultivars uit verschillende streken, of tussen cultivars en wilde variëteiten. Kruisingsproducten van druiven groeien vaak slecht, en bovendien was en is iedere regio gehecht aan zijn eigen smaak wijn. Die zou verloren gaan met een kruising.

In deze DNA-studie bleken inderdaad allerlei cultivars klonen van elkaar. Sauvignon Blanc en Trousseau bijvoorbeeld, en Muscat Blanc en Chardonay. „Veel cultivars staan maar twee generaties af van de wilde druif”, constateren de onderzoekers. Wat betekent dat er voor die specifieke cultivar dus maar twee keer is gekruist in zesduizend jaar – een verklaring ook voor de ziektegevoeligheid.

De onderzoekers analyseerden onder andere zeventien bekende Pinot-cultivars, waaronder Pinot Blanc, Pinot Gris, en Pinot Teinturier. Deze klonen komen waarschijnlijk van een Pinot van de Romeinen, in de zesde eeuw als stek beland bij monniken in Bourgondië. Maar die zeventien klonen hadden wel van tientallen genen andere varianten. De onderzoekers wijten dit aan spontane mutaties in de genen – het genoom van V. vinifera is, vergeleken met andere planten, minder stabiel. En vanwege de behoudende wijnbouw hebben de stekken ook eeuwen de kans gekregen genetisch een eigen weg te gaan.

De roep om robuustere kruisingsproducten komt op een moment dat kruisen met schimmelresistente variëteiten gemakkelijker wordt, getuige ook internationale samenwerkingsprogramma’s met namen als CoreGrapeVin en GrapeReSeq. Veredelaars hoeven niet meer jaren te wachten tot de plant volwassen is om te weten of hij resistent is; ze screenen eenvoudigweg het DNA. Zelfs de Franse druivenveredelaars zijn in 2002 begonnen met kruisen, al houden veel wijnliefhebbers daar nog vast aan hun oude cultivars. De nieuwe Duitse en Zwitserse rassen, zoals Regent, Felicia en Solaris, bewijzen dat resistente kruisingsproducten mogelijk zijn die ook nog lekker zijn. Deze moderne wijnen worden nu omarmd door de 70 beginnende Nederlandse wijnbouwers.

Marianne Heselmans