Wie wil er sterven om de NAVO te testen?

Wat wil Nederland eigenlijk in Afghanistan? Doen we alleen mee om Amerika te plezieren? Als lakmoesproef voor de NAVO? Of willen we echt iets bereiken? Dan moet het doel duidelijk zijn, vindt Willemijn Verkoren.

Na alle kritiek op het onverkwikkelijke PvdA-standpunt over de door het kabinet gewenste politiemissie naar Afghanistan kwam Job Cohen vorige week plotseling met nieuwe argumenten ter onderbouwing van dit standpunt. De missie zou geen agenten opleiden, maar paramilitairen. De PvdA gelooft bij nader inzien niet langer in de strategie van de overkoepelende NAVO-missie. Eerder had de partij uitsluitend gehamerd op procedurele punten – we hebben nu eenmaal beloofd daar weg te gaan, de missie is te militair van aard. Dat Cohen nu met deze, meer wezenlijke bezwaren op de proppen kwam, leek vooral een politiek gemotiveerde noodgreep in reactie op de kritiek.

Toch heeft hij een punt. Het is opvallend dat geen van de andere partijen rept over deze zaken. Partijen als GroenLinks en de ChristenUnie, die momenteel bezig zijn hun standpunt te bepalen, buitelen over elkaar heen in het afwijzen van de PvdA-houding, maar in hun eigen deliberaties beperken zij zich tot operationele vragen – de financiering van de missie, de commandostructuur, afspraken over geweldgebruik, de veiligheid in Kunduz – zonder wezenlijk stil te staan bij het einddoel en de slagingskans van de missie.

Met de voorstanders, VVD en CDA, is het nog erger gesteld. Zij bedienen zich veelal van argumenten die weinig van doen hebben met de missie zelf, zoals het veiligstellen van de goede relatie met de Verenigde Staten. Zij hebben het over de Afghanistanmissie als lakmoesproef voor de NAVO. Als ze over de bestaansredenen van dat bondgenootschap twijfelen, is het dan niet beter om daarover in discussie te gaan? Wie wil er sterven om de NAVO te testen?

Binnenkort organiseert de Tweede Kamer een hoorzitting over de missie. Het is te hopen dat daarin nu eens diepgaand van gedachten wordt gewisseld over de vragen waar de discussie eigenlijk over zou moeten gaan. Die luiden: wat hopen we uiteindelijk te bereiken in Afghanistan, kan dit doel worden bereikt via de door de NAVO en EU gevolgde strategie aldaar en, tot slot, hoe past de voorgestelde trainingsmissie binnen die strategie?

Over de eerste vraag is altijd veel onduidelijkheid geweest. Zo werd de vorige missie in Uruzgan verkocht als ‘wederopbouwmissie’. Iedereen wist eigenlijk wel dat er te midden van oorlog weinig op te bouwen viel. Twee doelen lopen voortdurend door elkaar: het vergroten van onze eigen veiligheid door het bestrijden van Al-Qaeda – en de Talibaan – en het vergroten van de veiligheid van de Afghanen zelf. Vaak wordt aangenomen dat beide doelen in elkaars verlengde liggen, maar dit is niet per se het geval. Burgerslachtoffers worden vanuit het eerste perspectief gezien als collateral damage. Vanuit het tweede perspectief zijn ze juist in tegenspraak met wat men wil bereiken. Bovendien is het waarschijnlijk dat een duurzame vrede in Afghanistan alleen mogelijk is door de Talibaan een rol te geven in het bestuur van het land.

Als het doel duidelijk is, dan volgt de al even ingewikkelde vraag hoe dit doel kan worden bereikt. Even uitgaand van het doel van het vergroten van de veiligheid van de Afghanen zelf zie je dat uiteenlopende ideeën bestaan over de beste strategie hiertoe.

Momenteel populair is de idee van ‘staatsopbouw’ – vrede en veiligheid worden het beste gewaarborgd door sterke, functionerende staten naar westerse snit. Het is de vraag in hoeverre zoiets mogelijk is in een land dat eigenlijk nooit een dergelijke staat heeft gekend. Andere opties – een confederatie van stammen, een bredere regionale oplossing – passen misschien wel beter bij de context.

Belangrijker is de vraag wie bepaalt welk systeem in Afghanistan wordt opgebouwd. Proberen wij een westerse democratie te exporteren of faciliteren we de Afghanen om zelf te onderhandelen over de beste weg vooruit? De tweede optie lijkt veel kansrijker. Dan zouden onderhandelingen en vredesopbouw een veel centralere plek in de strategie moeten krijgen. Te denken valt aan een serie conferenties met deelname van uiteenlopende Afghaanse actoren, inclusief de Talibaan. Andere ingrediënten van vredesopbouw zouden het versterken van civiele actoren en het investeren in economische vooruitgang kunnen zijn.

De Afghanistanstrategie van president Obama is helaas weinig overtuigend. Het is een slap compromis tussen degenen die zo snel mogelijk weg wilden en degenen die juist wilden investeren. De strategie rept van een – regionale – politieke oplossing, maar richt zich in de praktijk vooral op geweldgebruik. Het is bovenal een exitstrategie, wat ook de nadruk verklaart op het opleiden van – paramilitaire – agenten en militairen. Deze moeten immers de vertrekkende NAVO-troepen kunnen vervangen, maar in welke rol dan? Ten behoeve van welk doel? Ter bevordering van wiens veiligheid? In naam van een Afghaanse overheid die nauwelijks legitimiteit geniet?

Pas nadat deze vragen zijn beantwoord, kan iets worden gezegd over de Nederlandse missie en hoe deze past in het bredere plaatje. We zijn immers maar een kleine speler binnen de missie. Dat Nederland op kleine schaal iets goeds kan doen, heeft het laten zien in Uruzgan, maar zonder de juiste context zal dit waarschijnlijk niet beklijven.

Nederland heeft best iets bij te dragen in Afghanistan, maar totdat helder is waaraan we nu eigenlijk iets willen bijdragen, zou ik niemand willen sturen, of het nu politietrainers of militairen zijn.

Willemijn Verkoren is hoofd van het Centrum voor Internationaal Conflict- Analyse en Management (CICAM) aan de Radboud Universiteit Nijmegen.