Vrees voor nieuw protest in de straten

De nieuwe Tunesische regering telt zeven ministers van de verjaagde president Ben Ali. Noodzaak, zeggen sommigen; verraad van de revolutie, zeggen anderen.

Het heeft niet lang geduurd voordat in de straten van Tunis de bordjes met ‘Ben Ali Dégage!’ (Ben Ali, rot op) vervangen werden door bordjes met ‘RCD Dégage!’ Nog voor de oude premier Mohammed Ghannouchi zijn nieuwe regering goed en wel had aangekondigd, waren in Tunis en andere steden al duizenden mensen de straat opgegaan om te protesteren tegen het vormen van een regering met leden van de Rassemblement Constitutionnel Démocratique, de partij van de vrijdag verjaagde president Zine al-Abidine Ben Ali. Vandaag waren er opnieuw straatprotesten.

Dat zo’n regering er gisteravond toch kwam, was een zware teleurstelling maar niet echt een verrassing voor Taoufik Ben Brik. „Ik heb altijd gezegd dat dit zou gebeuren”, zegt Ben Brik, journalist, schrijver, dichter en jarenlang opposant, die onder Ben Ali meermaals in de gevangenis belandde.

„Het volk gaat dit nooit accepteren. Zodra de noodtoestand wordt opgeheven, zal het straatprotest weer opleven. En zelfs met de noodtoestand, die betogingen verbiedt, hebben we gezien dat de mensen toch op straat komen. Deze regering vertegenwoordigt de straat niet. Het is verandering zonder verandering, een paleisrevolutie.”

Ben Brik vreest dan ook dat er nog meer bloed zal vloeien in Tunesië. Hij vreest dat niet zozeer; hij denkt dat het onvermijdelijk is wil men in Tunesië echt van een revolutie kunnen spreken.

„De straat is onverzettelijk maar daartegenover staat een machtsblok dat tot elke prijs de macht wil behouden en dat tot de tanden bewapend is. Die mensen hebben grote financiële belangen en dat beperkt zich echt niet tot de familie en de schoonfamilie van de president. Op Facebook circuleert een kaartspel, naar analogie met de Amerikanen in Irak, met 52 namen van gezochte personen. Veel grote families in Tunesië hebben zich verrijkt onder Ben Ali, en die zijn lang niet allemaal vertrokken.”

De nieuwe regering, die zichzelf zes maanden de tijd geeft om verkiezingen te organiseren, telt een heleboel gezichten die de Tunesiërs maar al te goed kennen. Niet alleen Ghannouchi, eerste minister onder Ben Ali en gedurende één dag interim-president, blijft op zijn post. Zeven andere ministers en staatssecretarissen van Ben Ali’s RCD gaan ook door, en wel op sleutelposten als Defensie, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken en Financiën.

Wel worden in de regering drie leiders opgenomen van wat onder Ben Ali de wettige oppositie was. Najib Chebbi van de Parti Démocrate Progressiste (PDP) wordt minister van Regionale Ontwikkeling, Mustapha Ben Jaafar van het Forum Démocratique pour le Travail et la Liberté wordt minister van Gezondheid en Ahmed Brahim van Ettajdid, de vroegere communistische partij, krijgt Onderwijs en Wetenschap.

Er zijn ook personen uit de maatschappij, zoals filmmaker Moufida Tatli, die minister van Cultuur wordt. De grootste verrassing is de aanstelling van een blogger, Slim Amamou, als staatssecretaris voor Jeugd en Sport. Amamou kwam in het nieuws toen hij in de laatste dagen van het regime van Ben Ali werd gearresteerd. Hij maakte zijn benoeming wereldkundig door op FourSquare, een sociaal netwerk, zijn locatie aan te geven als „het ministerie van Binnenlandse Zaken”.

Volgens Zouhair Makhlouf moet de nieuwe regering het voordeel van de twijfel krijgen. Makhlouf is journalist maar ook kaderlid van de PDP van Chebbi, de meest radicale partij van de legale oppositie onder Ben Ali. In december werd hij nog in elkaar geslagen door politieagenten in burger. „Goed, er zitten ministers in de regering die tot het oude regime behoren”, zegt hij, „maar ik zie dit toch als vooruitgang voor Tunesië”.

Makhlouf geeft toe dat de straat boos is over de aanwezigheid van RCD-ministers maar verdedigt toch de keuze van zijn partij om in de regering te stappen. „Wij moeten nu deelnemen aan de macht in het belang van het volk. Het wil niet zeggen dat we de beweging verraden.” Maar Makhlouf gaat zelf toch maar niet meeregeren; hij wil liever als journalist de nieuwe regering in de gaten houden.

Premier Ghannouchi heeft de bevolking verzekerd dat de RCD-ministers in de nieuwe regering allemaal „schone handen” hebben, maar voor de historische oppositie, en ten minste een deel van de straat, is gisteren de Tunesische „revolutie” verraden.

Vooral bij de onder Ben Ali verboden oppositie is de verontwaardiging groot. „Dit is gewoon de voortzetting van het oude regime”, zegt Hamma Hammami, woordvoerder van de Parti Communiste des Ouvriers de Tunisie. „Het is de RCD uitgebreid met een paar oppositiefiguren, en de straat zal dit echt niet pikken.”

Ook Hammami’s vrouw, advocaat en mensenrechtenactivist Radhia Nasraoui, is boos. „Deze regering heeft niet de steun van het volk. De mensen die de afgelopen maand de straat op zijn gegaan wilden niet het vertrek van Ben Ali; ze wilden het einde van zijn regime.”

Maar ook de straat is verdeeld. Belhassen Handous, een activist die deel uitmaakt van een prille jongerenbeweging en zegt dat hij voor de straat spreekt, is voorstander van samenwerking met de regering. „Wij hebben het volste respect voor wat de oude garde heeft gedaan, maar hun soort activisme is gepasseerd. Het is nu de beurt aan de jeugd van Tunesië.”