Olieprijs van 100 dollar kan slechts het begin zijn

Een olieprijs van bijna 100 dollar per vat kan slechts het begin zijn van een nieuwe opmars. De sterke vraag, speculatie, een ‘zachte’ dollar en hoge liquiditeit zijn allemaal factoren die een destabiliserende stijging van de olieprijs in de hand werken.

De stijging van de grondstoffenprijzen in het algemeen lijkt de centrale banken in de wereld met buitengewoon veel problemen te gaan confronteren. De inflatie wordt erdoor opgedreven, zodat de banken renteverhogingen moeten overwegen op een moment dat ze die liever zouden uitstellen totdat het economisch herstel in kannen en kruiken is.

Maar een aanhoudende ultrahoge olieprijs is ook geen absolute zekerheid. Hernieuwde paniek over de schuldencrisis in de eurozone kan de dollarkoers zodanig doen oplopen dat de olieprijs alsnog binnen de perken blijft.

Eén factor in de stijging van de olieprijs is het mondiale herstel, dat krachtiger is dan alom werd voorspeld. De Organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) zegt dat ook met zoveel woorden in haar maandelijkse rapport, dat gisteren naar buiten kwam. Het kartel van leidende olieproducenten heeft zijn eerdere inschatting van de wereldwijde vraag naar olie in 2010 naar boven bijgesteld, evenals de voorspelling voor 2011. Maar de OPEC heeft tevens betoogd dat de oliemarkt op dit moment over aanbod niet te klagen heeft, en verklaart de huidige hoge prijs door „toenemende beleggingen in grondstoffen” – een codewoord voor speculatie.

Het oordeel van de OPEC past weliswaar opvallend goed in het straatje van de organisatie, maar de boodschap kan desondanks grotendeels juist zijn. Er zijn veel factoren die prijsstijgingen van olie en andere grondstoffen bevorderen. De wereldeconomie trekt aan. De inflatie in de eurozone en Engeland is nu hoger dan de centrale banken wenselijk achten, maar in geen van beide gevallen lijkt een renteverhoging ophanden. De eurozone heeft het nog steeds veel te druk met zijn periferie, en de Bank of England met de gevolgen van de bezuinigingen.

De centrale banken moeten ook de negatieve gevolgen van de hoge olieprijzen op het economisch herstel meewegen. Het geld dat consumenten in hun brandstoftank gooien, kunnen ze niet aan andere goederen en diensten uitgeven. Dat levert een dilemma op voor beleidsmakers: de stijging van de olieprijs op haar beloop laten, zoals de meesten – met uitzondering van de Europese Centrale Bank – in 2008 deden, of reageren op de inflatie die erdoor wordt veroorzaakt.

Maar feit is dat de inflatie in de Verenigde Staten laag blijft. En de tweede ronde van ‘kwantitatieve versoepeling’ van de Amerikaanse centrale bank, ter waarde van 600 miljard dollar, krijgt op dit moment zijn beslag. Met het huidige zeer soepele Amerikaanse monetaire beleid is een stijging van de dollarkoers twijfelachtig. Dat is ook een factor die gunstig is voor grondstoffenspeculatie.

Europaniek kan de dollarkoers wél een zetje geven en de prijzen van olie en andere grondstoffen schaden. Maar tot nu toe werken zowel de vraag, het rentebeleid en de liquiditeitsontwikkeling in het voordeel van een verdere stijging van de wereldwijde olieprijs.

Ian Campbell

Vertaling: Menno Grootveld