Misdaadstatistieken spreken elkaar tegen

Geweld is lastig meetbaar.

Cijfers over ‘de’ misdaad bestaan niet.

Hoe omvangrijk is de criminaliteit in Nederland? De ene week blijkt het aantal geweldsdelicten te zijn gedaald, dan weer is het aantal gewelddadige overvallen al jaren aan het stijgen. En zo gaat het ook met fietsendiefstallen, vernielingen, autobranden, overlast, verloedering, gewapende overvallen en snorfietsenroof.

Duidelijk is: cijfers over ‘de’ misdaad bestaan niet. Cijfers zijn er voor bepaalde misdaden: fietsendiefstal en woninginbraak, overvallen, geweldsdelicten, vernielingen van privébezit. De cijfers zijn meestal afkomstig van de jaarlijkse slachtofferenquête onder 200.000 Nederlanders, de zogenoemde Integrale Veiligheidsmonitor (IVM), uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek, gemeenten en een aantal politieregio’s.

Ben Vollaard, misdaadeconoom aan de universiteit Tilburg, geeft hoog op over de Veiligheidsmonitor. „Dit is de grootste slachtofferenquête van de hele wereld. Tweehonderdduizend respondenten. Als ik dat in de Verenigde Staten vertel, staan ze met hun oren te klapperen.” En elk jaar dezelfde vragen. Ben Rovers, zelfstandig gevestigd criminaliteitsonderzoeker, is minder enthousiast. „De meeste misdaad doet zich voor in de achterstandswijken van de grote steden. Probeer daar als enquêteur maar eens representatief je werk te doen”, zegt Rovers. „Over het algemeen geldt: hoe groter de kans dat je slachtoffer wordt van een misdaad, hoe kleiner de kans dat je wordt geraadpleegd in een enquête.”

Bovendien gaan slachtofferenquêtes – het woord zegt het al – alleen over delicten met een eenduidig slachtoffer. Dus niet over heling, georganiseerde misdaad, fraude, witteboordencriminaliteit, drugshandel. Ook meet het IVM alleen vernielingen aan privébezit. Rovers: „Vernielde bushokjes of verkeersborden tellen niet mee.”

De andere belangrijke bron voor misdaadcijfers is de politie. In een landelijke databank verzamelen de Nederlandse politiekorpsen gegevens, op basis van opsporingen en aangiftes. Maar slechts een op de drie slachtoffers van een delict meldt zich bij de politie. Ben Vollaard: „En de politie is bezig met het bestrijden van misdaad, niet met het verzorgen van de statistiek. Is er meer aandacht voor geweldsdelicten, dan zie je dat terug in de politiestatistieken.”

Valt er ondanks deze beperkingen wel iets zinnigs over criminaliteit te zeggen?

Ja. „Vermogensdelicten zoals woninginbraak en autodiefstallen lenen zich goed voor enquêtemetingen”, zegt Rovers. „Er is een duidelijk slachtoffer, een evidente misdaad, en het gaat om privébezit.” Ben Vollaard durft dan ook stellig te zeggen dat sinds 2002 het aantal vermogensdelicten ‘spectaculair’ is gedaald. „Door het opsluiten van notoire veelplegers”.

Geweld is lastiger meetbaar, zegt hoogleraar sociale veiligheid Karin Wittebrood, tevens onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). „Volgens de politiecijfers zijn geweldsdelicten sinds 2005 hoogstens iets gestegen, slachtofferenquêtes wijzen op een daling. Een veelgehoord geluid is dat geweld misschien niet toeneemt, maar dat het wel steeds ernstiger wordt. Maar de slachtofferenquête onder 200.000 Nederlanders vraagt de laatste jaren niet meer naar de ernst van het lichamelijk letsel. En de politie registreert geweldsdelicten alleen op nummer van het wetboekartikel. Er wordt dus niet gemeten of geweld ernstiger wordt.”