'Literair archief best in museum'

Harry Mulisch stelde bij leven al een commissie in voor het beheer van zijn literaire erfenis. Verkopen bij opbod? Zeker niet.

Harry Mulisch (1927-2010) heeft er precieze afspraken over gemaakt. Zijn literaire erfenis – een kamer en suite aan documenten en voorwerpen – moet bij elkaar blijven. Hij heeft een literaire commissie samengesteld, die moet bepalen wat er nog gepubliceerd kan worden.

„Het is een buitengewoon geordend archief”, zegt emeritus- hoogleraar Nederlandse Letterkunde Marita Mathijsen, woordvoerder van de commissie. „Bij de documenten zitten ongepubliceerde aanzetten van romans, van een pagina of zestig tot tachtig.” Ook zijn er voorwerpen die aan zijn werk gerelateerd zijn. „Replica’s van antieke beelden en de jodenster die zijn moeder droeg.” Het is nog te vroeg om te zeggen waar de collectie naar toe gaat, zegt Mathijsen. „Zeker is dat het niet stukje voor stukje verkocht wordt, zoals bij Gerard Reve.”

Dit weekeinde werd bekend dat de manuscripten en handschriften van Gerard Reve (1923-2006) geveild worden. Volgens zijn levensgezel Joop Schafthuizen was dat Reves wens. „Gerard wilde absoluut niet dat het naar een muf museum zou gaan, waar het eens in de dertig jaar uitkomt tijdens een tentoonstelling over seksualiteit, drankzucht en geld.”

Andere schrijvers of hun erven kiezen wel uit overtuiging voor het Letterkundig Museum in Den Haag. Het literaire archief van schrijver en essayist Rudy Kousbroek (1929-2010) gaat naar het museum, zegt zijn weduwe Sarah Hart. „Daar hoort het.”

Ook het archief van dichter Hans Faverey (1933-1990) zal na het overlijden van zijn weduwe naar een openbare instelling gaan, weet Marita Mathijsen die zijn nagelaten gedichten bezorgde.

Volgens directeur Aad Meinderts van het Letterkundig Museum, is er op dit moment „verder geen beweging op dit front”. Het museum streeft ernaar schrijversarchieven te verwerven, zodat onderzoekers het in samenhang kunnen bestuderen. Meinderts: „Wij onderhouden altijd goede relaties met schrijvers. Als het gesprek er zo op komt, hebben we het ook over de archieven. Met Mulisch bijvoorbeeld. Ook met de erven nemen we altijd contact op. Soms komen we tot afspraken, soms niet. Bijvoorbeeld omdat de biograaf het materiaal nodig heeft, zoals bij Jan Wolkers.”

Het archief van Wolkers (1925-2007) is op Texel bij zijn weduwe Karina. Met biograaf Onno Blom is afgesproken dat hij exclusief toegang heeft. „Er is wel sprake geweest dat het op een gegeven moment naar een mooie plek gaat, bijvoorbeeld een Wolkers-museum”, zegt Blom. „Het gaat in ieder geval niet in de uitverkoop.” Overigens vindt Blom dat er wel iets voor valt te zeggen, dat verzamelaars „een snippertje Reve” kunnen verwerven.

Sommige schrijvers doneren hun archief bij leven aan het Letterkundig Museum, zoals Hella Haasse (1918). In haar collectie zitten onder andere aantekeningen voor de roman Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter ; teksten van lezingen, en contracten.

Schrijver Remco Campert (1929) heeft geen plannen met zijn archief. „Ik denk er niet over na”, zegt hij. „Het is een rommeltje.” Hij vindt wel dat het algemeen toegankelijk moet worden.

Het Letterkundig Museum bezit onder meer het archief van Willem Frederik Hermans (1921-1995), Marten Toonder (1912-2005) en Boudewijn Büch (1948-2002). In totaal heeft het museum geschriften van 6000 schrijvers. Soms worden ze via een veiling verworven, maar „95 procent is afkomstig van de schrijvers zelf of van de erven”, zegt Meinderts.

Begrip voor de veiling van het Reve-archief krijgt Schafthuizen uit onverwachte hoek. Uitgever Wouter van Oorschot, bij wie dit jaar het derde deel van een biografie over Reve had moeten verschijnen, zegt: „Het is een kwestie van wie het recht heeft erover te beslissen. Dat is de heer Schafthuizen. Verder gaat het niemand wat aan.’’ De biografie is uitgesteld omdat Schafthuizen geen toestemming geeft. De veiling van Reves archief heeft hierop geen invloed, zegt Van Oorschot. „Dat boek is al geschreven.” Bovendien blijft het auteursrecht ook na veiling bij Schafthuizen. „De nieuwe eigenaar mag met de documenten doen wat hij wil, ze opeten desnoods. Maar niet publiceren, zonder toestemming van de auteursrechthebbende.”