Innoveer in onderwijs

Voor het eerst in de geschiedenis kent Nederland, sinds vorig jaar, een ministerie dat de term Innovatie in zijn naam draagt. Het departement van CDA’er Maxime Verhagen, de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het regeerakkoord van het kabinet-Rutte besteedde bovendien veel regels aan ‘innovatie’, het woord komt er 28 maal in voor.

Dat duidt er al op dat dit een containerbegrip is. En verder zegt kwantitatieve aandacht in een regeerakkoord of in de benaming van een ministerie niet zoveel. De vraag is welke daden op de vele woorden volgen.

Daarvan blijkt de KIA vooralsnog niet onder de indruk. KIA, een afkorting van Kennis en Innovatie Agenda, bestaat uit een coalitie van onder meer werkgeversorganisaties, vakbonden, onderwijsinstellingen en regionale innovatieplatforms.

Zij heeft vorig jaar een agenda opgesteld voor het komende decennium en moet nu vaststellen dat ambities en financiële mogelijkheden bij elkaar ver uit de pas lopen. In de eerste voortgangsreportage, aangeduid als ‘Foto’ – klinkt als een taalkundige innovatie – heeft KIA berekend dat het kabinet een een miljard minder voor innovatie dreigt uit te trekken, terwijl in de Agenda het uitgangspunt was dat er in 2015 twee miljard méér beschikbaar zou zijn. Bijvoorbeeld de gelden die vorige kabinetten in het Fonds Economische Structuurversterking voor innovatie apart zetten, zijn geschrapt.

Zeker zo ernstig lijkt het dat bedrijven achterblijven met hun uitgaven voor R&D, research en development. Ondernemingen die in handen zijn gevallen van de private equitysector, hebben het geld er dikwijls niet voor over. En ‘big spenders’ als Philips investeren liever in groeimarkten als China. De farmaciebedrijven Abott en Organon sloten recent hun onderzoeksafdelingen in Nederland.

Toch is de door de politiek uitgesproken ambitie van Nederland groot; wereldwijd in de topvijf van kennissamenlevingen komen. Dat zei de Tweede Kamer per motie, dat zegt het regeerakkoord. Maar de taak van de overheid lijkt daarbij eerder gelegen in het scheppen van de goede omstandigheden dan via een versnipperd subsidiebeleid wat stimulantia uit te delen.

Zo komt vanzelf het onderwijs in beeld. De KIA constateert dat de professionalisering van leraren tekortschiet, dat het aantal zeer zwakke middelbare scholen stijgt, dat veel excellente studenten nog steeds geen uitdagend programma krijgen en dat van ‘een leven lang leren’ nog weinig terechtkomt. Daarmee wordt de kern van de zaak getroffen. Nederland blijft achter met zijn publieke onderwijsinvesteringen en geeft er, als percentage van het nationaal inkomen, zelfs steeds minder aan uit. Een kabinet dat innovatie hoog op de agenda zegt te zetten, begint met investeringen in beter onderwijs.