Het moest een keer fout gaan

Twee meisjes mishandelden een bejaarde vrouw in Eindhoven.

Twee verslaggevers gingen op zoek naar de vrouw en de moeder van de twee meisjes.

Twee meisjes van acht en tien jaar mishandelen en bestelen bejaarden in de Eindhovense wijk Vaartbroek. De burgemeester noemt het een incident, maar was het dat ook?

Op de tweede verdieping van een ouderenflat in het noorden van Eindhoven loopt een negentigjarige vrouw van net 1.50 meter over de galerij, met een gevlekt hondje en een rollator. Ze stopt voor haar voordeur en begint te vertellen. Het was zaterdagmorgen, een paar maanden geleden. Ze wandelde door het park, zoals elke dag. Bij de bokkentuin vroeg een groepje kinderen aan haar hoe laat het was. Ze hielden een mobieltje voor haar neus, maar ze kon niets zien, want haar bril lag thuis. Daarom liep ze door. „Toen sloegen ze hard op mijn rug. Ik vroeg of ze me met rust wilden laten. Ze sloegen met een tak in mijn gezicht.” Een buurvrouw belde de politie.

Wankel leunt ze tegen de deurpost. Haar donkerblauwe jas valt ruim om haar heen. Ze wandelt weer alle dagen met haar tienjarige Fleur. Maar altijd gespannen. En minder lang dan vroeger.

Ze was niet het enige slachtoffer. Andere bejaarden werden bespuwd of bestolen. Eén werd beroofd van haar scootmobiel. En altijd waren er twee meisjes bij betrokken. Twee meisjes van acht en tien.

De meisjes werden samen met hun moeder op het politiebureau ontboden en bekenden. De Eindhovense burgemeester Van Gijzel, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming grepen onmiddellijk in. De twee meisjes werden uit huis geplaatst. Twee andere dochters van vijf en dertien mochten van de kinderrechter onder toezicht bij hun moeder blijven. Directeur Marja van Heel van Bureau Jeugdzorg: „We hebben al jaren bemoeienis met dit gezin. We streven ernaar kinderen thuis te laten wonen. Maar na de bekentenis was de veiligheid van de meisjes in het geding.”

Vaartbroek is gebouwd in de jaren zestig in het noorden van Eindhoven. Eenvormige huizenblokken, straten genoemd naar granen, noten en groenten. Centraal het winkelcentrum, waar op straatbordjes staat ‘Veilig Vaartbroek’ en achter winkelruiten papieren hangen met de tekst ‘Bij onraad en overlast bel ...’. Daarnaast de flat voor 55-plussers.

Buurtbewoners vertellen over lawaaiige hangjongeren, stenen door ramen, eieren tegen muren, vernielde picknicktafels. Meestal gaat het om Marokkaanse jongens. Maar dat het een keer mis zou gaan met deze Romameisjes hadden ze allemaal zien aankomen.

De moeder van de Romameisjes woont op de hoek van de Maïsweg in een eengezinswoning, aan een pleintje met een speeltuin. Er wordt niet opengedaan. De overbuurvrouw wenkt. „Zijn jullie van Jeugdzorg? Ze is niet thuis hoor, want de auto staat er niet. Kom maar even binnen.”

Ze vertelt dat in het voorjaar van 2009 de hele buurt Jehovagetuige Hans in zijn nette pak zag vertrekken om te trouwen met Zumreta, een Romavrouw met zeven kinderen. De oudste was 22, de jongste vier. Iedereen stond versteld: Hans, die rustige man die naast zijn gehandicapte moeder woonde. Met zo’n vrouw.

„Twee maanden later stonden er vijf politieauto’s voor de deur”, vertelt de overbuurvrouw. Ik kwam naar buiten en de meisjes renden naar me toe. Hun moeder was overstuur. Ze schreeuwde ‘hij is homo’, ‘hij kijkt niet naar me om’, ‘hij geeft me geen geld’. Ze dreigde een mes in haar buik te steken. Er was daar geregeld onenigheid.”

Zumreta ging elke dag vroeg van huis, vertelt de overbuurvrouw. Als ze vertrok, krijste haar tienjarige dochter zo hard dat alle bewoners van het pleintje het hoorden. Pas ’s avonds laat kwam moeder terug. Ondertussen tekenden haar dochters op lantaarnpalen, gooiden ze rommel in tuinen en pestten ze kinderen in de buurt.

„Mijn eigen twee dochters zijn voor minder uit huis geplaatst”, zegt de overbuurvrouw. Ze snapt niet dat niemand eerder heeft ingegrepen. Nee, zij belde jeugdzorg niet, „want dat is verlinken”. En bovendien: „Die Romafamilie is berucht.”

Een andere buurvrouw op de Maïsweg – rode joggingbroek, ingevallen ogen en mond – opent even hartelijk haar deur. „Vanaf het moment dat die Romameisjes hier woonden, was het onrustig. Ze liepen altijd maar op straat, tot ’s avonds laat. Ik was opgelucht toen ik hoorde dat er twee uit huis waren geplaatst.”

Het meisje van tien ging nauwelijks naar school, vertelt ze. Ze moest naar het speciaal onderwijs, net als haar zoon. Maar negen van de tien keer wuifde ze vanachter het gordijn dat de schoolbus kon doorrijden. Ook de andere meisjes waren veel thuis.

Eén keer heeft ze het zelf met de Romakinderen aan de stok gehad, vertelt de buurvrouw. Haar vijfjarige zoon zag hoe ze een duif met stokken sloegen. Zij werd ziedend toen ze de halfdode vogel zag. „We weten je te vinden”, riepen de meisjes haar na.

De buurvrouw neemt een slok koffie en een trek van haar sigaret. In de zomer vroeg Hans een scheiding aan, zegt ze. Dat kon zijn Romavrouw niet waarderen. Ze haalde haar oudste zoon erbij. En andere familieleden. Ze hebben Hans het huis uit gepest. Sinds een maand of vijf woont hij soms bij vrienden, soms bij zijn moeder.

Maar de politie bellen, nee, dat deed ze niet. „Zo zit ik niet in elkaar. Ik heb het druk genoeg met mijn eigen leven. Ik dacht: ze lopen vanzelf een keer tegen de lamp.”

Intussen is Zumreta ter ore gekomen dat buurvrouwen over haar praten. Ze heeft geen behoefte haar verhaal te vertellen, zegt ze telefonisch in gebrekkig Nederlands. „Laat de mensen maar roddelen. Het kan me niets schelen.”

CDA-raadslid Ibrahim Wijbenga (33) – Friese vader, Marokkaanse moeder – is opgegroeid in Vaartbroek. Zijn ouders wonen er nog, niet ver van de Maïsweg. De zondag nadat de Romameisjes bekend hadden, organiseerde hij een spoedbijeenkomst om de wijkbewoners gerust te stellen. Hij doet open in pyjama. Harde Nederlandstalige rapmuziek galmt door zijn flat. „Ga maar zitten”, zegt hij, „ik douche nog even.” Eenmaal in pak zegt hij: „Vaartbroek staat bekend om de overlast van Marokkaanse jongeren. Het is dus uitzonderlijk dat het nu over Romameisjes gaat.”

In het winkelcentrum van Vaartbroek maakt Wijbenga een rondgang. Hij schudt handen, maakt overal een praatje. Alle winkeliers kennen de Romameisjes. Ze hadden een winkelverbod bij de Albert Heijn. Ze maakten ruzie met de baas van de friettent. Ze hadden een grote mond tegen de dames van de Marskramer.

Wijbenga loopt verder, richting zijn ouderlijk huis. Hij maakt zich zorgen. Hij heeft de afgelopen jaren veel oorspronkelijke bewoners uit de wijk zien vertrekken, nadat hun kinderen het huis uit gingen. In de woningen die ze achterlieten, kwamen mensen die problemen gaven. Hij wijst en zucht.

Op de derde verdieping in de flat waar het negentigjarige slachtoffer woont, opent een 79-jarige vrouw in roze trui haar deur. Ja, ze heeft het gehoord van die Romameisjes. Verschrikkelijk. Maar ja, dat is de jeugd van tegenwoordig. Die is hier heus niet erger dan elders. Nee, ze is niet bang. Als ze angstig was, zou ze geen leven hebben. „Ik woon hier prima.”

Op de vierde verdieping doet meneer Huyberts (77) open. Een kleine grijze snor siert zijn bovenlip, een zegelring zijn hand. Hij is voorzitter van de bewonerscommissie. Roma, Marokkanen, hij houdt ze niet uit elkaar, zegt hij. Hij heeft gehoord dat ze in Frankrijk de Roma het land uitzetten. „Ik denk dat die nu allemaal hierheen komen.”

Hij wenkt en wijst uit het woonkamerraam naar beneden. „Daar staan regelmatig Mercedessen met mannen in zwart pak en wit overhemd. Ze dealen. Jongetjes in scooters rijden met het spul door het park. Als het twee maanden rustig is, hebben we geluk.” Hij kijkt naar zijn vrouw die koffie zet. Zij draait zich om en zegt met zachte glimlach: „Ach, de flat is mooi, de buren zijn aardig. En er is toch overal wel wat.”