Europese steun Ben Ali was fout

Politiek Europa veegde kanttekeningen bij het bewind van Ben Ali opzij.

Hopelijk zal Europa door de recente gebeurtenissen in Tunesië zijn fouten inzien.

Tunesië beleeft een geheel eigen 1789. Iedereen weet waartoe de bestorming van de Bastille leidde. Niemand weet daarentegen waar de Noord-Afrikaanse, revolutionaire wind naartoe waait.

President Zine El Abidine Ben Ali heeft na 23 jaar despotisch bewind – en een maand van groeiende straatprotesten – zijn toevlucht gezocht in het Saoedische Jeddah. De protesterende jongeren, gefrustreerd door economische uitzichtloosheid en welig tierende corruptie, voelen voor het eerst in lange tijd een zekere trots. Ze twitteren erop los. De hele wereld zal het weten. Eigenhandig – zonder hulp van buitenaf – hebben ze de verdorven dictator het land uitgejaagd. Eigenhandig hebben ze de eerste grassroots Arabische revolutie teweeggebracht.

Echt verrassend zijn de gebeurtenissen niet. De structurele problemen in het land duidden al tijden op een prangende behoefte aan verandering. Meer dan de helft van de Tunesische bevolking is jonger dan 25 jaar. Een groeiende groep geniet hoger onderwijs, maar steeds minder onder hen vinden een baan. Professioneel geluk hangt af van wie je kent en wat je bereid bent ervoor te betalen.

Arm zijn in een arm land is erg. Arm zijn in een land waar anderen rijk zijn, is verschrikkelijk. Tunesië kent rijkdom. Via de toeristische sector, de oliebronnen en Europese subsidies komen miljoenen euro’s het land binnen. Helaas komen deze nooit veel verder dan de familieleden van Ben Ali en zijn vrouw. Een kleine groep intimi beheert het allemaal: de grote hotels, de bedrijven, de moderne supermarkten, de gigantische paleizen en de jaloersmakende jachten.

De spanningen die uit deze economische ongelijkheid voortvloeien, zijn nauwelijks uniek. In veel andere landen in het Midden-Oosten tref je soortgelijke situaties aan. Waarom heeft Tunesië de primeur? Het verschil zit in de manier waarop maatschappelijke spanningen worden gekanaliseerd. In Egypte, bijvoorbeeld, is de politieke repressie aanzienlijk en zijn de repercussies voor dissidenten lang niet mals. Toch zijn deze nog niet zo dramatisch dat ze bloggers en activisten ervan weerhouden vervolging te riskeren. Ter illustratie: afgelopen zomer was ik aanwezig bij een bijeenkomst van de veroordeelde Egyptische activist Saad Eddin Ibrahim. Nadat hij zijn verhaal had gedaan, stond een aangeslagen Tunesische vrouw in het publiek op. Onder bijval van andere Tunesiërs in de zaal gaf ze aan jaloers te zijn op de maatschappelijke zichtbaarheid van Egyptes activisten. In de ultieme politiestaat, Tunesië, was het ondenkbaar dat ook maar iemand enige vorm van kritiek zou durven uiten. Nu blijkt, wederom: hoe harder de repressie, des te venijniger het overkoken. „Liever dood dan zo”, luidde een kreet van demonstranten.

Weinig vonken waren nodig om de gemoedstoestand van Tunesische jongeren te doen ontvlammen: een WikiLeaks-document over de corruptie van Ben Ali’s regime, een lading anticensuursoftware om het digitale verkeer gaande te houden en, een maand geleden, de letterlijke vonk die het land in lichterlaaie zou zetten, een jonge groenteboer (afgestudeerd aan de universiteit), Mohamed Bouazizi, uit het dorp Sidi Bouzid, die zichzelf in brand stak voor een lokaal overheidsgebouw. Bouazizi werd het symbool van de Tunesische revolte.

Wat nu? Een machtsvacuüm brengt altijd onzekerheden met zich mee. Ben Ali was de tweede president sinds de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1956. Een traditie van democratische machtswisseling is er nooit geweest. De parlementaire leider, Foued Mbazaa, is aangesteld als interim-president. Volgens de Tunesische grondwet moeten er nu binnen zestig dagen verkiezingen plaatsvinden. Vooralsnog is niemand de baas. Het leger zegt de bevolking te beschermen, maar heeft ongetwijfeld een minder democratische agenda in gedachten dan de jongeren die deze revolutie mogelijk hebben gemaakt.

Frankrijk of Europa zullen vast een rol voor zichzelf zien, maar worden geconfronteerd met pijnlijke tegenstrijdigheden in hun buitenlandse beleid. Hoewel veel analisten Ben Ali’s regime als het meest repressieve in de regio beschouwen, veegde politiek Europa deze kanttekening onder het tapijt. Uit zowel economisch winstbejag als angst dat democratisering zou leiden tot islamisering werd Ben Ali gesteund. Ondanks de mensenrechtenretoriek en de roep om politieke vrijheden heeft Europa zich welwetend blind gestaard op de façade van tolerante toeristenoorden en bedrijfsprivatiseringen (aan familieleden).

Tunesië is volgens Europa dan ook een rolmodel voor de rest van Noord-Afrika. Het is te hopen dat de actuele gebeurtenissen niet alleen het zand uit de ogen van andere dictators zullen vegen, maar dat ook Europese leiders eindelijk zullen inzien dat het steunen van een dictatuur averechts werkt.

Saskia van Genugten is PhD-kandidaat aan de Johns Hopkins University School for Advanced International Studies in Bologna. Zij onderzoekt de Europese betrekkingen met Noord-Afrika.