Een bord eten dat de verblijfsvergunning raakt

Wie: Brahim J.

Staat terecht voor: zware mishandeling van zijn echtgenote

Waar: rechtbank Amsterdam

In april 2009 kwam hij uit Marokko naar Nederland. In juni van dat jaar gooide hij zijn echtgenote een bord eten naar haar hoofd. Nu zit hij hier, naast zijn advocaat, voor politierechter Geelhoed.

Zijn echtgenote, aan de andere zijde van zijn advocaat, hield er een schedelbasisfractuur van drie centimeter aan over. En een gezwollen jukbeen. Ze moest drie maanden herstellen. Op de vraag van de rechter of het nu goed gaat tussen haar man en haar zegt ze: „Jaaah... goed, gaat goed.”

De advocaat heeft om een tolk gevraagd, maar die was niet voorhanden. Daarom verzoekt hij de rechter en officier van justitie Van Leijen niet te snel te spreken. Nadrukkelijk articulerend leest Van Leijen de tenlastelegging voor: zware mishandeling.

Timide hoort verdachte Brahim J. (1966) het aan. Op vragen van de officier geeft hij zacht, bijna onhoorbaar antwoord. Later merkt de officier het op in zijn requisitoir: hij zit hier zo timide, bescheiden zelfs, en zo te zien is alles „weer koek en ei” tussen hem en zijn vrouw, maar kennelijk kan op een ander moment de vlam in de pan slaan. Vooralsnog informeert hij waar de ruzie over ging. Over welke televisiezender op moest. Tja. De verdachte maakt een machteloos gebaar. Hij had nooit de bedoeling het bord tegen het hoofd van zijn vrouw te gooien. Hij wilde het naast haar gooien, om haar aan het schrikken te maken.

„U zat allebei op de bank”, schetst de officier. Hoe? De verdachte houdt de ene hand haaks tegen de andere. Aha, een hoekopstelling, zegt de officier. En hoeveel afstand zat er tussen u en uw vrouw? Een meter, fluistert J.

Juist. Hij nam een „aanmerkelijk risico” dat hij zijn vrouw zou raken.

„U bent verantwoordelijk”, concludeert de officier: „Of u het nu zo bedoelde of niet.” En hij voegt uit het dossier nog een verzwarende omstandigheid toe. Toen J.’s vrouw aangifte deed bij de politie, vertelde ze dat hij tegen haar gezegd zou hebben dat hij, zodra hij zijn verblijfsvergunning had, „foetsie” zou zijn. Ook had hij gedreigd haar te vermoorden.

J. wordt zichtbaar kleiner. Hij voert aan dat hij in therapie is gegaan, vrijwillig, voor de stress. Thuis was hij technisch tekenaar, maar dat vak kan hij hier niet uitoefenen. Hij werkt nu bij TNT en hij bezorgt kranten. Er was toen zoveel stress in zijn leven.

De officier: „Heeft de therapie geholpen?”

Aarzelend: „Ja...”

Geen ruzie meer?

„Nee...”

Klopt dat mevrouw?

Ja, knikt ze.

Dan vraagt de advocaat het woord. Hij wenst op te merken dat meneer de procedure voor een verblijfsvergunning doorloopt. Ah, begrijpt de rechter direct: „U bedoelt...”

„Precies”, zegt de advocaat.

Officier Van Leijen steekt van wal. Het had allemaal veel erger kunnen aflopen, met blijvend letsel, en die stress, dat kan wel zijn, maar dit kan niet. Hier moet een sanctie volgen, „hoewel ik besef dat die consequenties kan hebben voor de vreemdelingrechtelijke procedure”. Hij eist een voorwaardelijke werkstraf, honderd uur.

De advocaat doet hierna zijn best. „Er is een bord in de richting van het hoofd van mevrouw gegaan”, depersonaliseert hij het incident. De vraag is: was het opzet? Er zijn geen criminogene indicaties in het reclasseringsrapport, meneer is nooit in aanraking geweest met justitie, hij is eigener beweging in therapie gegaan. „Vrijspreken dus”, concludeert hij. „Als dat te kort door de bocht is, zou het een schuldigverklaring zonder straf moeten worden.”

Haastje-repje volgt de kern: meneer zou onevenredig zwaar gestraft worden bij welke straf ook. De immigratie- en naturalisatiedienst IND zal zijn verblijfsvergunning „hoogstwaarschijnlijk” niet verlengen. „In het harde klimaat van tegenwoordig is dit geen loze waarschuwing.” En meneer heeft 750 euro aan zijn verdediging moeten bijdragen. Hij heeft al „op verschillende punten een schop onder zijn kont gehad”.

Rechter Geelhoed trekt zich terug voor beraad. Na vijf minuten is hij terug. Hij krijgt nog een brief overhandigd, door de advocaat. Zijn vonnis is, leest hij voor, „van essentieel belang” voor de verblijfsvergunningsprocedure.

Dan begint hij met de redenering die tot zijn besluit moet leiden. Hij plaatst de ernst van het feit, dat hij bewezen acht, tegenover de „grote gevolgen” voor meneers aanvraag voor een verblijfsvergunning. Maar eigenlijk doet die afweging er niet toe. In één adem zegt hij: „De balans moet doorslaan naar het feit, ook een rechterlijk pardon zou gevolgen hebben.” Hij komt op een voorwaardelijke straf van vijftig uur. „Als al het positieve er niet was geweest, was het onvoorwaardelijk geweest.”

J. knikt en slikt.

Pieter Kottman