Arabieren: meer Tunesiës alsjeblieft!

In de Arabische wereld vieren activisten de val van de Tunesische leider Ben Ali.

De betogingen in andere Arabische landen blijven voorlopig nog beperkt.

Arabische activisten en burgers reageren blij en opgewonden op de snelle val van de Tunesische president Zine al-Abidine Ben Ali; hun leiders blijven tamelijk zwijgzaam. Maar ze delen de vraag: kan dit ook gebeuren met een of meer van de andere autoritaire regimes die al tientallen jaren in de regio standhouden?

Van de zijde van de regimes antwoordde alleen de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken Ahmed Aboul Gheit: „Nonsens.” Ook een Koeweitse analist, Sami Alfaraj, dempte de verwachtingen van een ommekeer. „We hoeven alleen maar te kijken naar Iran om te zien voor welke uitdaging de mensen staan die denken dat ze alleen door de straat op te gaan verandering kunnen brengen”, zei Alfaraj tegen AP.

„Nooit in mijn 43 jaar heb ik gedacht dat ik zou meemaken dat een Arabische leider door zijn bevolking ten val zou worden gebracht”, schrijft de Egyptische journalist Mona Eltahawy in haar blog in The Washington Post onder de kop „Meer Tunesiës alsjeblieft!”. Al die bejaarde autocraten – de Libische leider Gaddafi (68) noemde ze en natuurlijk de Egyptische president Mubarak (82) – „klampen zich aan hun ambt vast, terwijl ze steeds minder idee hebben van wat er onder hun jonge burgers leeft”.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton maakt zich duidelijk ook zorgen over het overleven van de Arabische autocraten, in meerderheid zogeheten „gematigde bondgenoten” van Washington. Nog voor Ben Ali vrijdag viel, riep ze in een toespraak in Qatar de Midden-Oosterse leiders op samen met hun burgers democratische hervormingen door te voeren. De mensen „zijn de corrupte instituties beu geworden”, zei ze. Anders vullen extremisten het vacuüm. „In te veel plaatsen, op te veel manieren, zinken de fundamenten van de regio weg in het zand.”

Aboul Gheit deed Clintons oproep af als „inmenging in Egyptische en Arabische aangelegenheden”. En hij zei: „Elke maatschappij heeft haar eigen omstandigheden.” Dat is waar, maar ze hebben ook veel gemeen: een repressief en corrupt systeem, een zeer jonge bevolking en, van Marokko tot en met Saoedi-Arabië, groeiende werkloosheid, met name onder de jeugd. Een groot verschil met vroeger tijden is dat internet en de Arabische satellietzenders, Al-Jazeera voorop, de gebeurtenissen op straat bij alle burgers thuis brengen. De zwaar gecontroleerde Syrische media wijdden tot dusverre geen letter aan de situatie in Tunesië, maar Al-Jazeera is ook in Syrië te ontvangen.

Betogingen in andere Arabische landen blijven voorlopig nog beperkt. In Caïro demonstreerde een kleine groep activisten, zoals daar gebruikelijk omringd door vijfmaal zoveel man oproerpolitie, bij de Tunesische ambassade. In Jordanië gingen dit weekeinde weer een paar duizend betogers de straat op. In Algerije, Egypte en Mauritanië staken betogers zich in brand, kennelijk naar het voorbeeld van de Tunesiër wiens zelfverbranding op 17 december het oproer in Tunesië ontketende.

De Arabische leiders proberen met kleine gebaren de angel uit het protest te halen De regeringen van Algerije en Jordanië verlaagden de voedselprijzen. De emir van Koeweit gaf gisteren opdracht elke burger 1.000 dinar (een kleine 2.700 euro) en gratis levensmiddelen te geven tot 31 maart 2012, officieel ter gelegenheid van 50 jaar onafhankelijkheid. Daar zal het wel meevallen met het protest. Europa veegde kritiek op bewind van Ben Ali opzij: pagina 16 en 17