1.774 halsbandparkieten in één slaapboom

Zaterdag vond in de Randstad de jaarlijkse telling van verwilderde stadspapegaaien plaats. Ze blijken zich steeds beter over het land te verdelen.

Om kwart over vier klinkt gesnerp in het Amsterdamse Oosterpark. In een jonge es zijn drie halsbandparkieten neergestreken, gifgroen glanzend in de avondzon. Ze gluren naar ons; we gluren terug. Bij het vallen van de duisternis zullen ze samen in hun favoriete slaapboom kruipen, een knoestige oude plataan langs de Linnaeusstraat. „Maar ze kijken eerst de kat uit de boom”, vertelt bioloog Roelant Jonker. „’s Avonds hangen ze eerst in groepjes rond, alsof ze samen hun dag doornemen. Pas als iedereen er is, vliegt de hele kolonie ineens die slaapboom in. Hét moment om ze nauwkeurig te tellen.”

De halsbandparkiet begint een alledaagse verschijning te worden, zo gewoon als een Vlaamse gaai. Afgelopen zaterdag telden SOVON Vogelonderzoek Nederland en City Parrots (een door Jonker opgerichte organisatie voor bescherming van papegaaien in de stad) parkieten en andere papegaaiensoorten in Nederland. Dit jaar werden in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Haarlem, Aalsmeer en Utrecht ruim 8.900 parkieten op hun slaapplaatsen geteld. Vorig jaar waren dat er zelfs 9.800 – in 2004 nog maar 5.400. „Opvallend is vooral dat kolonies zich hergroeperen”, zegt Jonker. „Grote kernkolonies in Amsterdam en Den Haag vallen uit elkaar, kleinere kolonies in Rotterdam en Utrecht zijn ruim verdubbeld. De vogels verspreiden zich beter over het land. Binnen 20 jaar verwacht ik ze in alle Nederlandse steden.”

De halsbandparkiet is uit volières ontsnapt. In 1968 was het eerste broedgeval in Den Haag, het eerste Amsterdamse broedgeval stamt uit 1973. „Vooral in de eerste drie maanden van het jaar zijn ze echt aangewezen op de pindaslingers in de stad”, zegt Jonker. „In de loop van het voorjaar waaieren ze uit over het landelijk gebied. Dan eten ze ook knoppen, twijgjes, fruit en zaden.” Halsbandparkieten hebben een actieradius van tientallen kilometers rondom de stad. Vanuit zijn auto heeft Jonker een groepje op weg naar Den Haag eens geklokt op 55 km per uur.

Jonker was als kind al gek van papegaaien. Als biologiestudent wilde hij veldonderzoek doen naar de bijna uitgestorven geeloorpapegaai in Colombia. Dat kwam hem in 2002 te staan op een gijzeling door de FARC. Na acht maanden werd hij vrijgekocht voor een losgeld van 7.700 euro. Zijn passie voor papegaaien werd er niet minder door: deze maand begon hij bij het Centrum voor Milieuwetenschappen in Leiden aan promotieonderzoek naar het aanpassingsgedrag van stadspapegaaien. Hij denkt niet dat de nieuwkomers schadelijk zijn. „Aan voedsel is geen gebrek.”

Halsbandparkieten zoeken vooral oudere bomen om te nestelen. Ze broeden pas als ze vier jaar oud zijn en krijgen in het wild meestal slechts twee of drie jaar lang één nest, waaruit gemiddeld één kuiken per jaar groot wordt. Vrouwtjes hebben ’s zomers hun nesten her en der, mannetjes en jonge vogels hokken in de kolonie. Zo’n gemeenschappelijke slaapplaats is ook veiliger met het oog op nachtelijke vijanden, zoals uilen. De slaapboom in het Oosterpark herken je op afstand. Takken en schors, struiken en stoep zien wit van de spetters vogelpoep.

Vogelkenner Frank van Groen komt hier uit zijn werk dagelijks langs en telt de halsbandparkieten regelmatig. „In december had ik er soms wel 4.000 tot 4.500. Maar op Oudejaarsavond, met al dat vuurwerk, zijn ze er vandoor gegaan. Nu keren ze aarzelend terug, gisteren had ik er 1.750.”

Om kwart voor vijf begint het rond de slaapboom aardig druk te worden. Groepen halsbandparkieten cirkelen snerpend over het gras. „Misschien wel uit Weesp of Vleuten”, oppert Frank van Groen. „En Aalsmeer en Abcoude hebben ook al eigen slaapkolonies.”

Nieuw zijn de grote Alexanderparkieten. Vogelteller Jan Timmer zag ze voor het eerst omstreeks 2006, bij Haarlem. „Ze zijn wat groter dan de gewone halsbandparkieten, met een zwaarder stemgeluid en een gorgelende rrrrr.” Door de verrekijker zijn de rode vlekken op hun vleugels goed zichtbaar. „Ze delen hun slaapplek met de halsbandjes en paren er ook mee. Zo’n kruising levert vruchtbare nakomelingen op.”

In Amsterdam zwermen nu zo’n 50 Alexanderparkieten rond, weet Roelant Jonker. „Ze leven ook in steden als Istanbul en Kairo. Wereldwijd leven inmiddels 88 soorten papegaaien in de stad, ze passen zich daar steeds beter aan naarmate de oerwouden verdwijnen.”

Tegen vijven wordt het echt donker. Een zwerver met plastic tasjes kijkt schichtig naar de rondgierende zwermen vogels, die met tientallen tegelijk over onze hoofden scheren. Kennelijk zijn ze nu compleet, want ineens stroomt de slaapboom vol. De bovenste takken worden als eerste bezet. Frank van Groen telt razendsnel groepjes van tien af. Tussen 17.05 en 17.10 uur vliegen 270 vogels de slaapboom in, tot 17.15 uur komen er nog 830 bij, tot 17.20 uur nog 630. Binnen een kwartier is de hele boom bezet. Het gekrakeel is oorverdovend. Boven het kruispunt verschijnt een bleke maan. Enkele laatkomers druppelen nog binnen. Om kwart voor zes, als er vijf minuten lang niets meer is bijkomen, is de telklus geklaard. Langzaam wordt het stiller. De teller is blijven steken op 1.774 halsbandparkieten plus 8 Alexanderparkieten. „Dat zou je nooit zo zeggen als je naar die boom keek zonder echt te tellen”, zegt Frank van Groen. „Mensen schatten die aantallen altijd te laag in.”