Vooraf en achteraf

De laatste tijd ben ik professioneel betrokken bij dingen die misgaan. Neerstortende vliegtuigen. Instortende zeden. Einstürzende Neubauten. Dat wil zeggen, ik ben er achteraf bij betrokken. Was ik er vooraf bij betrokken, dan gingen ze natuurlijk niet mis.

Ik geef toe: dit laatste is bluf. Niemand kan voorkomen dat dingen misgaan in het leven. André Malraux heeft ons de term ‘het menselijk tekort’ aangereikt, omdat we niet weten welke gedragingen uitdraaien op ellende en leed; de mens is kwetsbaar, zijn leven is opgebouwd uit rampspoeden en misverstanden, zijn beslissingen brengen de wereld in gevaar en onherroepelijk gaan in zijn omgeving dingen mis. Dat is het lot. Voltrekt dat lot zich door zijn eigen toedoen, door zijn hand, dan spreken we van een tragedie.

Nu zijn er beroepsgroepen die bij uitstek zijn voorbestemd voor de tragedie. De krijgsmacht en de politie, die geweld uitoefenen namens de staat, hebben het toebrengen van leed in hun takenpakket zitten. Als je militairen uitzendt om conflicten te bedwingen, weet je dat ze tragische beslissingen gaan nemen, en dus moet je ze daartoe opleiden. Je moet ze niet alleen leren op een verantwoorde manier keuzes te maken, maar ook naderhand om te gaan met de gruwelijke gevolgen van die keuzes.

Toen ik ooit begreep dat militairen daadwerkelijk worden geschoold in het nemen van tragische beslissingen, realiseerde ik me dat zo’n opleiding ook interessant kan zijn voor mensen in andere beroepen. Denk aan de jeugdzorg; ook daar zit de tragedie in het takenpakket van de hulpverlener. Die oefent weliswaar geen fysiek geweld uit, maar grijpt wel namens de staat verregaand in het leven van gezinnen in. De dilemma’s zijn hier vaak even diabolisch als die in het leger: wat je ook doet, je maakt je onvermijdelijk schuldig.

Mensen in minder veeleisende beroepen – onderzoekers, verslaggevers, columnisten – kunnen achteraf prima een oordeel vellen over tragische situaties; vooraf is het al een stuk lastiger te zeggen wat je moet doen. Een oorlog, een veenbrand, een uithuisplaatsing: pas achteraf weet je wat je vooraf had moeten bedenken.

Het tragische handelen is een optelsom van macht en onmacht, van de wens het goede te doen en de noodzaak het kwade te doen. Een paar jaar geleden, toen de zaak in het nieuws was van het meisje Savanna, wier dood niet door de jeugdzorg was voorkomen, schreef filosoof Jos de Mul in de krant over tragiek. „Wat tragedies zo verontrustend maakt”, schreef hij, „is dat waar vrijheid en noodwendigheid samenvallen een schuld ontstaat waarvoor niemand verantwoordelijk kan worden gehouden.”

Natuurlijk werd ook toen wel degelijk iemand ter verantwoording geroepen: de gezinsvoogd werd aangeklaagd, de jeugdzorg als geheel kwam onder verdenking te staan, de inspectie wees op ernstig falen, de Tweede Kamer riep om straf, de samenleving toonde zich geschokt en de regering kwam met nieuwe regels. Er moesten, was de algemene opinie, meer kinderen uit huis worden geplaatst – alsof de tragiek daarmee was bestreden.

Inmiddels is opnieuw nagedacht over de zorg voor kinderen van staatswege. Een rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid toonde zich vorige week kritisch over de bescherming die de overheid biedt. „De overheid faalt in haar taak kinderen veiligheid te bieden wanneer ouders dat nalaten”, schreef de krant. Zo ontstond de suggestie dat de staat veiligheid aan de burgers kan garanderen. Terwijl de staat aan jeugdzorgers, net als aan militairen, nu juist een opdracht geeft die de tragedie insluit: onontkoombaar gaan er dingen mis.

Politiek ligt hier een explosieve situatie. De maatschappelijke roep om bescherming – om meer controle, meer straf voor hulpverleners – staat haaks op de maatschappelijke roep om minder bureaucratie. Politieke partijen die de bureaucratie willen afschaffen floreren, en dat is begrijpelijk. Maar diezelfde politieke partijen zouden er toch eens over moeten nadenken hoe je tegelijkertijd de controle versterkt en de bureaucratie vermindert.

In feite is een visie nodig op het filosofische verschil tussen het beschrijven van handelingen vooraf en achteraf. Al jaren gaat de ontwikkeling in de richting van het achteraf oordelen. Mensen in de makkelijker beroepen leggen mensen in de moeilijker beroepen de plicht op zich achteraf uitentreuren te verantwoorden. Daartoe moeten ze beschrijven wat ze hebben gedaan. Kilometers dossiers vullen zich met handelingsbeschrijvingen die niemand ooit leest, een astronomisch uitdijende bureaucratie.

Beschrijving van een handeling vooraf is daarentegen geen kwestie van verantwoording afleggen, maar van verantwoordelijkheid nemen. En dat kan in de moeilijke beroepen alleen als je goed bent opgeleid en getraind in wat-als-vragen. Wat doe je straks als je voor een dilemma komt te staan, hoe neem je later verantwoord een tragische beslissing?

De deskundigheidsverbetering waartoe de Onderzoeksraad voor Veiligheid oproept is een welkome verschuiving van achteraf denken naar vooraf denken. Vraag mensen in de moeilijke beroepen niet voortdurend om verantwoording – wijs ze op hun verantwoordelijkheid. Dan kunnen de mensen in de makkelijker beroepen het menselijk tekort achteraf wel becommentariëren.