Sjinkie Knegt, de belhamel van de kleine baan

Sjinkie Knegt is anders. Een deugniet. Maar ook een talent, op het ijs ongrijpbaar.

Bondscoach Otter bewaart voor zijn hyperactieve pupil een aparte aanpak.

Sjinkie. De naam vertelt het verhaal. Slim. Hondsbrutaal. Watervlug en onnavolgbaar. De toeschouwer die vrijdagavond in Thialf even met de ogen knipperde, had het hele spektakel gemist. De tegenstander die op volle snelheid vlak voor de voeten van Sjinkie Knegt onderuit gleed heette Jekabs Saulitis, uit Letland. In een oogwenk hing de kleine Fries in de lucht, beide schaatsen opgetrokken. Maakte twee meter verderop, half in de bocht, een perfecte landing op het gladde ijs, als een schansspringer op dunne messen. Niet denken, springen. Intuïtie.

Shorttracker Sjinkie Knegt uit Bantega is pas 21 jaar, maar bouwde al een reputatie op die reikt tot in Zuid-Korea, China en Canada. Als de belhamel van de kleine ijsbaan, maar ook als schaatsfenomeen dat nergens voor terugdeinst, zich overal tussenwurmt. Valt en verliest. Of aanvalt en wint.

Als jochie van negen was hij al de schrik van de ijsclub van Thialf. Zijn brutaliteit op het ijs grensde aan wangedrag, vonden ze bij het bestuur. „Ik moest ze er echt van overtuigen dat het bij shorttrackschaatsen hoorde”, zegt trainer Kosta Poltavets, ontdekker van de shorttracker in Sjinkie Knegt. „Ze vonden dat hij te brutaal was. Als hij een gat zag dook hij erin, wat er ook gebeurde. Hij kende geen grenzen. Niemand in Nederland werd vaker gediskwalificeerd dan hij”, zegt Poltavets, nu trainer van de Russische langebaanploeg.

Inmiddels heeft Knegt aansluiting gevonden bij de wereldtop. Shorttrack is een kleine sport in Nederland. Knegt heeft alles in zich daar verandering in te brengen, denkt Jeroen Otter. Toen hij Knegt een aantal jaren geleden voor het eerst zag schaatsen, kreeg de bondscoach al jeukende handen. „Je kunt nog zo krachtig zijn, schaatsen is uiteindelijk een glijsport. Sjinkie heeft een natuurlijk gevoel voor het ijs. Wat je wilt is dat jonge schaatsers een keer voor een dilemma komen te staan: word ik Sven, of word ik Sjinkie. Sven, Sjinkie. Sven, Sjinkie. Hij heeft zelfs zijn naam mee. Die vergeet je nooit meer.”

Die naam komt niet uit Bantega, het kleine dorp in het Lemsterland waar Knegt werd geboren. Zijn vader, huisschilder, vernoemde hem naar een Chinese overgrootvader die ooit als pindaverkoper naar Nederland was gekomen. Sjing Ting heette hij.

Misschien dat die Chinese achtergrond Sjinkie aan het shorttracken bracht. In Azië is het een volkssport. Maar in het polderland is het een contradictio in terminis – een Friese schaatser met afkeer van de langebaan. „De langebaan vind ik niks”, zegt hij onomwonden. „Ik heb wel eens een enkelblessure gehad. Kon ik geen shorttrackschoenen aan, moest ik twee weken op de langebaan. Wat een hel, die lange rechte stukken. Zo saai.” Met zijn kleine postuur – 1,70 meter – was Knegt ook meer geschikt voor het korte werk, de scherpe bochten, de onmogelijke inhaalmanoeuvres met vijf man op een ijshockeybaantje. „Ik heb Sven wel eens zien shorttracken. Die kon het absoluut niet. Nee, wordt ook nooit wat.”

Knegt is geen jongen die bang is zijn mening te geven, zegt Otter. „Hij zegt wat hij voelt. Heel open. Sjinkie is niet iemand die zijn woorden drie keer weegt voordat ze eruit komen. Hij is de clown van het team. Altijd het hoogste woord.”

Zo open als hij zich in zijn omgeving gedraagt, zo ongrijpbaar is hij op het ijs, zegt Sanne van Kerkhof, teamgenoot in de nationale selectie. „Shorttrack is een spelletje, je moet de race kunnen lezen. Dat kan Sjinkie als geen ander. Wat doet je tegenstander? Gaat hij inhouden, of proberen in te halen? Sjinkie hoeft daar niet over na te denken. Allemaal intuïtie.” En wie een gaatje laat vallen is gezien, zegt Freek van der Wart, ook lid van de nationale ploeg. „Hij is zo wendbaar. Je hoeft maar één foutje te maken en hij zit er. Hij zit altijd te loeren. Die inhaalacties zijn echt dodelijk. Daarin is hij wereldklasse.”

Sjinkie is anders. De deugniet die graag streken uithaalt, ineens achterstevoren finisht als hij kansloos is. Van Kerkhof: „Als het niet lekker gaat, moet hij even dollen. Dan moet hij weer ‘in zijn Sjinkie’ komen, uit het strakke stramien.” Binnen de ploeg hoeft hij zich nergens voor te excuseren. Want Sjinkie is Sjinkie. Otter: „Hij is ook een heel lieve jongen. Staat voor iedereen klaar, bijvoorbeeld om even te helpen met schaatsen slijpen.”

Want als Knegt ergens moeite mee heeft, dan is het stilzitten. Niks doen. Otter bewaart voor zijn hyperactieve pupil zelfs een aparte aanpak. „Ik vertel de ploeg voor de training altijd wat we gaan doen. Dan zie ik hem al onrustig worden. Als je te lang tegen hem praat gaat het er zo weer uit. Hij kan zich maar heel kort concentreren. Ik vertel hem altijd apart nog even wat hij moet doen.”

De laatste jaren sloop Knegt langzaam naar de wereldtop. De Olympische Spelen van Vancouver brachten vorig jaar nog geen tastbaar succes, maar indruk maakte hij wel. Vorige maand brak hij in de Chinese stad Changchun internationaal door met het eerste Nederlandse individuele zilver bij een wereldbekerwedstrijd, op de 1.000 meter. En in Thialf won hij gisteren zijn eerste individuele medaille – brons – in het eindklassement op het Europese podium. Hoe hoog de verwachtingen ook waren op zijn eigen ijsbaan, Sjinkie Knegt bleef Sjinkie Knegt. „Of ik druk voel, door het rijden in Thialf? Welnee, dit is niet anders dan in Italië of Frankrijk. Hier ga ik niet anders van schaatsen.”