Omdat haar pet niet goed zat

Bij het Victorieplein in Amsterdam-Zuid zag ik een vrouw bijna in haar graf stappen. Het gebeurde op een klaarlichte dinsdagmiddag, een uur of half twee.

Zij wilde oversteken op een van de drukste en onoverzichtelijkste kruispunten van Nederland, daar waar de Rijnstraat en de Vrijheidslaan bij elkaar komen. Het was een grijze, koude middag. De vrouw droeg een rode alpinopet die haar wat jonger maakte dan ze vermoedelijk was – achterin de zestig, schatte ik. Ze kwam aangelopen terwijl ik vanaf het trottoir de omgeving stond te bekijken.

Om de overkant te bereiken, moest ze eerst een fietspad en vervolgens een lang zebrapad met drie stoplichten over. Je kon het verkeer daar vergelijken met de branding van de zee op een stormachtig dagje. Het bruiste en kolkte van de kriskras om elkaar heen laverende auto’s, trams en scooters. De vrouw begon dapper over te steken, met in haar kielzog een andere vrouw.

Het fietspad kwam ze ongehinderd over. Ook verder leek de kust nog veilig, want vóór haar was het eerste stoplicht op groen gesprongen. Ze verschikte iets aan haar pet toen er plotseling vanaf links uit de Rijnstraat een tram de hoek omboog. Ze zag hem niet en liep door, maar iets langzamer omdat ze nog aan haar pet frunnikte. De tram flitste rakelings langs haar heen – één snellere voetstap en ze was er geweest.

Ik stond vanaf de rand van de stoep toe te kijken, mijn mond open voor een machteloze schreeuw. De tweede vrouw sloeg bezorgd haar arm om de schouders van de vrouw en hielp haar naar de overkant. Daar voegde ik me bij hen.

De vrouwen stonden te trillen op hun benen, althans, dat nam ik aan, want zoiets kun je nooit goed bij anderen zien – het zijn meestal je eigen benen die raar doen. De vrouw die aan de dood ontkomen was, zag zó wit dat haar pet er nog roder van werd. „Het was groen, het was groen”, zei ze steeds weer.

„Dat wás het ook”, zei de andere vrouw. „Die tram reed gewoon door. Ik probeerde u nog vast te pakken, maar u hield gelukkig op het laatst een beetje in.”

„Omdat mijn pet niet helemaal goed zat. Anders was ik er zó onder gelopen. Ik had die tram niet gezien.”

„Dit is een vreselijk gevaarlijk punt”, zei de andere vrouw kwaad. „Er gebeuren hier zoveel ongelukken, dat wil je niet weten. U woont hier zeker niet?”

„Nee.”

Ik nam afscheid van de dames en liep weer naar de overkant, maar nu met de schrikachtige rapheid van een haas die een open veld over moet. Wat mij bezighield was de verklaring van de bijna overreden vrouw, ondersteund door de andere vrouw, dat ze een groen stoplicht had gezien.

Het stemde overeen met mijn eigen waarneming. Kon die tram dat genegeerd hebben?

Ik bleef een halfuurtje op het Victorieplein rondhangen. Volgens mij zijn er twee plekken waar een Nederlander gemakkelijk kan sneuvelen: als verkeersdeelnemer bij het Victorieplein en als militair in Uruzgan. Terwijl ik er stond te kijken, kwamen er nog twee andere voetgangers op de zebra in gevaar – ditmaal bedreigd door afbuigende auto’s. De tram die de vrouw bijna had overreden, was vermoedelijk iets te laat vertrokken vanaf zijn halte op de Rijnstraat. De bestuurder had niet in de gaten gehad dat de voetgangers al door mochten. De marges zijn klein bij het Victorieplein.