'Marktaandeel - dat woord kende ik niet'

Leen Timp werd zaterdag 90, de Nederlandse tv wordt dit jaar 60. Als cameraman en regisseur maakte hij de beginjaren mee. „We dachten dat televisie een bijdrage kon leveren aan de artistieke ontwikkeling van het Nederlandse volk.”

Leen Timp (90), gefotografeerd met de app Hipstamatic op de iPhone, die foto's oud doet lijken. Timp is enthousiast iPhone-gebruiker. Foto Vincent Mentzel Leen TIMP ( 15 jan. 1921) Nederlandse televisieregisseur en producent. foto VINCENT MENTZEL/==F/C==Nederland. Elst, 11 januari 2011 - Hipstamatic Iphone Vincent Mentzel 2011

Leen Timp laat een jeugdfoto zien die hij twee jaar geleden van zijn zus kreeg. Er staan een paar jongens op die op straat spelen. In een karretje hebben ze een kartonnen camera geplaatst. „Ik wist er niets meer van”, zegt Timp, „maar ik was toen twaalf en we speelden dus dat we een film aan het maken waren. Dat zat er blijkbaar al vroeg in.” Later studeerde hij aan de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag, raakte betrokken bij de productie van openluchtspelen, werkte bij de Legerfilmdienst en was continuïteitsregisseur bij de Wereldomroep. Maar pas toen het hem in 1951 lukte om als cameraman bij de zojuist begonnen televisie te komen, na lang aandringen bij een omroepbestuurder die hij in Hilversum dagelijks langs zag fietsen, „was mijn kostje gekocht”.

Leen Timp, die zaterdag zijn negentigste verjaardag vierde, heeft de Nederlandse televisie vanaf het allereerste begin meegemaakt. Net als Mies Bouwman die in die tijd omroepster bij de KRO was en een paar jaar later zijn vrouw werd. Timp was een van de drie cameramannen van het eerste uur. Zijn werkgever was de Nederlandse Televisie Stichting, de voorloper van de NOS. Zijn twee collega’s waren afgevaardigd door Philips, de televisiefabrikant die er alle belang bij had dat er voldoende programma's werden gemaakt om de aanschaf van een toestel aantrekkelijk te maken. Met deze drie cameramannen werden de eerste twee jaar alle programma’s van alle omroepen gemaakt. Elke omroep was één keer in de veertien dagen aan de beurt. „En zo'n uitzendavond duurde niet veel langer dan twee uur, hooguit van 8 tot half 11, dus dat was gauw gevuld.”

De drie camera’s hadden slechts drie lenzen, vertelt hij, waarmee maar drie instellingen konden worden gemaakt: wijdbeeld, portret en close-up. „Maar vaak was één van de camera's stuk, dan moest er ter plekke met twee camera's worden geïmproviseerd.” Inzoomen bestond nog niet; wie het beeld dichterbij wilde laten komen, moest de camera naar voren laten rijden. Een ander netelig probleem waren de dikke kabels; een camera die over de vloer reed, moest oppassen niet over zo'n kabel te rijden, want dan zou het beeld te veel schokken. Terwijl die kabels bij elke beweging over de vloer schoven en een veel te hinderlijk geruis lieten horen. Pas gaandeweg werden er kabelsjouwers in dienst genomen die de kabels hoog in hun handen hielden. „En zo modderden we maar aan”, zegt Timp, om die uitspraak even later te nuanceren: „En zo hebben we het vak geleerd”.

Toen de televisie na de eerste twee experimentele jaren werd voortgezet – tot verbazing van velen, die dachten dat het medium slechts een voorbijgaand verschijnsel was – vroeg de AVRO hem regisseur te worden. Een regisseur deed alles, in die dagen. Hij was zijn eigen producer en kwam ook vaak zelf met de ideeën voor programma’s. Zijn eigen smaak was doorgaans doorslaggevend.

„Ik was dolgelukkig en voelde me bevoorrecht”, stelt Leen Timp vast. „Het was een heerlijke tijd.” Eén van zijn meest geprezen programma’s was de serie Kunstgrepen met de door hemzelf ontdekte kunstjournalist Pierre Janssen als verteller – één man die met trillende handen in een bijna lege studio stond te praten, en toch legendarisch. „Ik ben wel eens bekritiseerd dat ik te veel gebruik maakte van de tremor in zijn vingers. Wat ook zo wás; het was nu eenmaal altijd een moeilijke zaak een groot publiek in kunst te interesseren. Mijn redenering was dat we die trillende handen aandacht konden trekken en Pierre was het daarmee eens. Dus als hij een beeldje op een tafeltje zette, maakte ik daar een close-up van.” Samen werden Janssen en Timp in 1961 bekroond met de eerste Nipkowschijven van de gezamenlijke tv-critici. Janssen kreeg de prijs als presentator en Timp werd toen al geprezen „voor de wijze waarop hij als vormgever gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden van het medium televisie”.

Kunst en informatie vormden zijn voornaamste werkterrein. „We hebben in die beginjaren echt en oprecht gemeend dat de televisie een grote bijdrage zou kunnen leveren aan de artistieke ontwikkeling van het Nederlandse volk. De opvoeding van de arbeidersklasse – dat paste natuurlijk ook helemaal bij mijn sociaal-democratische achtergrond. Zo’n programma als Kunstgrepen hoorde eigenlijk bij de VARA thuis.” Als freelance-regisseur nam hij, samen met Mies Bouwman, het initiatief voor het satirische Zo is het toevallig ook nog ’s een keer. Daarna regisseerde hij jarenlang alle shows die zij presenteerde – met Een van de acht als allerpopulairste.

Zijn laatste programma maakte Timp toen hij 75 was. „Op verzoek van de NCRV heb ik meegewerkt aan een serie over het nieuwe Wetboek van Strafrecht. Er zijn vier afleveringen opgenomen, maar er zijn er maar twee uitgezonden. De NCRV zat er mee in de maag, want er waren minder kijkers dan ze hadden gehoopt. Natuurlijk was ik kwaad, maar dat heeft niet geholpen. Er waren echt andere tijden aangebroken bij de tv.”

Korte tijd later keken Leen Timp en zijn vrouw naar Moppentoppers met Ron Brandsteder, omdat hun zoon Joost daarvan de producer was. „We vonden het afschuwelijk”, vertelt hij. „Ik zei tegen Joost dat hij er niet met ons over hoefde te praten als hij daar geen zin in had. Maar toen antwoordde hij dat het marktaandeel bij zo’n programma het belangrijkste was. Marktaandeel – ik kende het woord niet eens. Joost zei tegen mij: jij praat over een vak dat niet meer bestaat, die tijd is afgelopen, uit. Dat was een bittere pil voor me, maar hij had gelijk. Ons vak bestaat niet meer.”