Jong. Slim. Turks. En keihard nodig

Jonge Nederlanders met Turkse wortels zijn vaak hoog opgeleid en presteren prima.

We moeten hen niet wegjagen, want dat is slecht voor onze economie.

Het gaat niet goed met Turks-Nederlandse jongeren in Nederland, beweerden tien Turkse Nederlanders onlangs in een brandbrief in de Volkskrant. Maar is het echt zo erg? En hoe zien die jongeren het eigenlijk zelf?

Die laatste vraag stelde ik vorige week op mijn Facebook-profiel. Het berichtje maakte de tongen los: veel jongeren zien hun afkomst eerder als meerwaarde dan als risico. Ook de cijfers laten trouwens een heel ander beeld zien dan de brandbrief. In 1995 studeerde 15 procent van de Turkse Nederlanders aan het hoger onderwijs. Inmiddels is dat 38 procent.

We moeten ophouden deze jongeren als risico te zien, anders keren zij zich van ons af – terwijl we deze groep juist heel hard nodig hebben. Voor de multinationals zijn deze mensen goud waard. Ze zijn goed opgeleid, ambitieus én ze kennen de taal en cultuur van een belangrijke handelspartner. Met Turks als tweede taal op zak hebben ze een dikke plus in de internationale zakenwereld.

In een economie die grotendeels op de dienstensector drijft, kennen Nederlandse bedrijven het belang van goede internationale betrekkingen. Niet voor niets zijn er diverse handelsmissies naar Turkije geweest. Bij het Staatsbezoek in 2007 zijn de grote multinationals, waaronder Shell, KLM, Unilever en Stork, meegegaan.

De Turkse economie groeide in de eerste drie kwartalen van 2010 met meer dan 9 procent. Turkije is dan ook een belangrijke Nederlandse handelspartner. Zo heeft ABN Amro berekend dat, mocht Turkije toetreden tot de EU, we onze export binnen tien jaar kunnen verdrievoudigen. Nu al vormt die export het dubbele van de import. Nederland heeft in de eerste tien maanden van 2010 voor 3,8 miljard euro naar Turkije geëxporteerd. Turkije is dus van groot economisch belang voor Nederland.

Maar omdat succesvolle Turks-Nederlandse jongeren nog steeds worden aangesproken op het Turkse deel van hun identiteit, en niet op hun ambities en talenten, overwegen inmiddels velen om na hun studie naar Turkije of een ander land te vertrekken. Zo blijkt uit onderzoek dat 51 procent van de moslims (Nederlandse Turken en Marokkanen) overweegt om te emigreren. En 36 procent is dit stellig van plan. Dat is pure kapitaalvernietiging en bovendien onnodig.

We leven in een tijdperk van verregaande internationalisering, maar in ons land herleeft het protectionisme. Ons imago in het buitenland – zeker na het Nederlandse ‘nee’ tegen de Europese grondwet – is veranderd van open en tolerant naar gesloten en kleingeestig. Het beleid van de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Uri Rosenthal, is meer gericht op Nederland dan op de wereld om ons heen.

Maar internationalisering als bedreiging voor de Nederlandse identiteit is een contradictio in terminis. Als er één constante is in die identiteit, is het wel de naar buiten gerichte blik. Denk aan de internationale handel waarmee de Republiek der Nederlanden zich op de kaart zette. Of Japan, waar Nederland als enige westerse mogendheid van 1641 tot 1853 handel mocht drijven, omdat we de Japanners niet tot het christendom probeerden te bekeren.

Het is voor Turks-Nederlandse jongeren van groot belang dat hun achtergrond niet als een handicap, maar als een meerwaarde wordt gezien. Kijk wat ze te bieden hebben: een tweede taal, een extra cultuur, een bredere kijk op de wereld en een ander netwerk. In een internationale economie als de onze is het buitengewoon nuttig om zulke mensen binnen te halen.

Met mainports als de Rotterdamse haven en Schiphol zijn hoogopgeleide Turken een meerwaarde. Het is doodzonde als ze niet kunnen aarden en uiteindelijk, goed opgeleid en wel, terugkeren naar het geboorteland van hun ouders.

Dus Turks-Nederlandse jongeren: laat je niet in de put praten, jullie zijn een gat in de wereldmarkt.

Fatma Koser Kaya (Turkije, 1968) is Tweede Kamerlid voor D66