Jarenlang naar de verkeerde ijshal gegaan

Adembenemend schouwspel, pure behendigheid van de rijders en een oppompende beat in het stadion. Eigenlijk is shorttrack veel boeiender om naar te kijken dan het langebaanschaatsen. En geen dweilorkesten!

De toeschouwers die er afgelopen weekeinde bij waren wisten: we zijn in Heerenveen jarenlang naar de verkeerde ijshal gegaan. Drie dagen lang maakte de Europese shorttracktop in het kleine ijsstadion naast ‘het grote Thialf’ reclame voor een sport waarvoor het grote publiek, sponsors en de televisie maar niet warm willen lopen.

Volkomen ten onrechte, zag wie erbij was.

IJsgevechten zijn het, acrobatiek en topsport tegelijk. Vijf schaatsers in de baan, hangend in de bocht, bijna met de schouder op het ijs. Krankzinnige inhaalmanoeuvres bij duizelingwekkende snelheden. Handje aan het ijs, handje op de rug van de tegenstander. Acht schaatsen per vierkante meter. Rondetijden noteren? Onbegonnen werk.

Circus voor de één, ultieme topsport voor de ander. Bezoekers die voor het eerst getuige waren van de aflossing, een spectaculaire estafette waarin zestien schaatsers uit vier landen elkaar na anderhalve ronde afwisselen, stootten elkaar gisteren verbijsterd aan: hoe blijven ze in godsnaam allemaal overeind? Maar shorttrackers zijn technisch zo ongelooflijk vaardig dat het zelden misgaat.

Shani Davis – oud-shorttracker – vertelde twee jaar geleden dat hij sinds zijn veertiende nooit meer was gevallen. Met dank aan zijn schaatsopleiding, op de kortebaan. Wat doet hij het liefst, in zijn vrije uren? Op de tribune hangen, shorttrack kijken. Zoals hij een paar jaren geleden al deed, tijdens een World Cup in Heerenveen. „Dit is pas echt schaatsen”, kraaide hij destijds.

Gisterochtend reisde hij na aankomst op Schiphol direct door naar Thialf, om de laatste dag van de Europese kampioenschappen nog even mee te pikken. Ironisch genoeg werd de Amerikaan langs de boarding direct klemgezet door tientallen kinderen die smeekten om zijn handtekening. De handtekening van de langebaanschaatser Davis, wel te verstaan.

Maar langebaanschaatsen, zo vinden de Amerikanen, is als kijken naar groeiend gras.

Natuurlijk hebben ze, ondanks Eric Heiden, geen schaatscultuur zoals wij, met Ard Schenk, Yvonne van Gennip, Sven Kramer. Maar een punt hebben ze wel. Niet voor niets worden de langebaantoernooien in Thialf steeds minder bezocht. Thialf – het langebaanstadion – heeft in Nederland nog altijd het imago altijd uitverkocht te zijn, in werkelijkheid laat het publiek wereldbekerwedstrijden en nationale kampioenschappen al langer links liggen. Bij de nationale kampioenschappen allround, drie weken geleden, werden tienduizend kaarten bijna gratis weggegeven om het stadion nog een beetje vol te krijgen. De fans hebben genoeg van de oeverloze dweilpauzes, de hoempapamuziek, de saaie dominantie van de Nederlanders en de eindeloze tijdrit-ritten tussen rijders die niets te zoeken hebben in een veld met Martina Sáblíková, Jan Blokhuijsen of Bob de Jong.

De vraag is misschien wel hoe lang de traditie van de Nederlandse langebaancultuur het nog wint van de frisse wind die de shorttrackers door de sport laten waaien.

Natuurlijk, ook shorttrack ontkomt niet aan Zamboni’s, en de dweilpauzes zijn nauwelijks korter. Maar het adembenemende schouwspel, de pure behendigheid van de rijders en de opzet van de toernooien – met vijfmansraces, series, halve finales en een zinderende finale – staan in Zuid-Korea, China, de Verenigde Staten en Canada garant voor volle stadions, waar de races worden begeleid door een oppompende beat.

Ook Ireen Wüst, gistermiddag enthousiast supporter in Thialf in Heerenveen, was het opgevallen: „Gaaf die ambiance bij EK shorttrack, moeten ze bij de langebaan ook doen! Stevige beat tijdens het rijden ipv dweilorkesten. #metdetijdmee”, twitterde ze kort nadat beide Nederlandse aflossingsploegen goud hadden veroverd.

Cees Juffermans, Niels Kerstholt, Annita van Doorn, Liesbeth Mau-Asam, Jorien ter Mors, Sanne van Kerkhof, Freek van der Wart en Sjinkie Knegt weten het al jaren: van Sven Kramer zullen ze het in Nederland niet winnen. Maar een beetje meer aandacht is wel het minste.