Column

Formeren is nog steeds mannenzaak

Een jaar of tien geleden legde The Guardian tien popliedjes langs de feministische meetlat. It’s a Man’s Man’s Man’s World van James Brown scoorde een 1. De mannen zijn in dat nummer de knappe koppen en de noeste arbeiders, maar zij zouden nergens zijn zonder het bestaan van de vrouw. Dat bestaan is ook de enige kwaliteit die de vrouw wordt toegedicht.

Ik moest eraan denken toen ik afgelopen week het lijstje zag van de samenstelling van de formatietafel. Het kernteam bestaat uit Mark Rutte en Halbe Zijlstra, Sybrand van Haersma Buma en Pieter Heerma, Alexander Pechtold en Wouter Koolmees, Jesse Klaver en Kathalijne Buitenweg. Zeven mannen, één vrouw.

Als ik het CDA bel, krijg ik te horen dat de keuze voor Heerma in plaats van de vrouwelijke nummer twee een interne afweging is geweest. Van de VVD krijg ik te horen dat het gewoonte is om de zittend fractievoorzitter naar de onderhandelingstafel te sturen. Bij D66 leer ik dat ze standaard de financieel woordvoerder naar voren schuiven. En dat zijn nou eenmaal allemaal mannen.

En ja, de informateur is een vrouw. De tweede in de Nederlandse parlementaire geschiedenis, weet Alexander Kessel van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis. Ik bel hem omdat ik wil weten hoe het staat met de emancipatie aan de formatietafel. Els Borst ging Schippers in 1998 voor; zij deelde die taak toen met Gerrit Zalm en Wim Kok.

Het gebrek aan vrouwen is interessant omdat alle formerende partijen een vrouw op nummer twee hebben staan op de kieslijst. Dat die vervolgens tijdens de formatie worden overgeslagen is eerder regel dan uitzondering. Van Kessel wijst me op de verkiezingen van 2010. Die resulteerden uiteindelijk in een gedoogkabinet met de PVV, maar niet voordat er in juli van dat jaar een poging werd gedaan om een Paars-plus-regering rond te krijgen. De fractievoorzitters van VVD, PvdA, D66 en GroenLinks namen wisselende fractiegenoten mee naar de besprekingen die toen plaatsvonden in de Eerste Kamer. Zo kwam het dat onder anderen Edith Schippers, Ineke van Gent, Jolande Sap en Mariëtte Hamer gesprekken bijwoonden. Het was de eerste en tot nu toe laatste keer dat er zo veel – vier, met toenmalig fractievoorzitter van GroenLinks Femke Halsema erbij vijf – vrouwen deelnamen aan de besprekingen.

Van Kessel haalt nog een voorbeeld aan, uit datzelfde jaar. Het CDA leed een verkiezingsnederlaag, Jan Peter Balkenende stapte op. De nummer twee op de lijst was Ank Bijleveld. Toch werd Maxime Verhagen kort politiek leider.

In hun zoektocht naar kandidaten op de kieslijst proberen de meeste politieke partijen een zo goed mogelijke afspiegeling van de samenleving te vinden. Maar als het moment daar is dat de gewonnen macht tot uitvoering gebracht mag worden, als het moment daar is om daadwerkelijk na te denken over welk beleid en welke idealen je absoluut in een eventueel regeerakkoord wil hebben, dan is een afspiegeling ineens niet relevant meer. Dat is toch gek? Van Kessel wil zich niet aan een oordeel wagen. Hij wil het hoogstens „opmerkelijk” noemen.

Ik wil best verder gaan dan dat. Het is een aanfluiting dat overwegend mannen beslissen over hoe ons land de komende jaren bestuurd zal worden.

Vergeet niet, de afgelopen campagne wilden partijen als het CDA en de VVD er maar al te graag op wijzen dat gelijkheid tussen man en vrouw hoort bij de Nederlandse normen en waarden. Buma beweerde tijdens het Carré-debat nota bene dat de joods-christelijke cultuur heeft gezorgd voor gelijkheid tussen man en vrouw. Waar zal dat gelijkheidsdenken toch zijn gebleven nu ze het voorbeeld kunnen stellen in het centrum van de macht?

Lamyae Aharouay werkt als redacteur bij BNR.