Europese steun voor Ben Ali was fout

Opinie

De gebeurtenissen in Tunesië wrijven hopelijk niet alleen dictators het zand uit de ogen, maar ook Europese leiders, schrijft Saskia van Genugten.

Illustratie Frederick Deligne

Tunesië beleeft een geheel eigen 1789. Iedereen weet waar de bestorming van de Bastille toe leidde. Niemand weet daarentegen waar de Noord-Afrikaanse, revolutionaire wind naartoe waait.

President Zine El Abidine Ben Ali heeft na 23 jaar despotisch bewind – en een maand van groeiende straatprotesten – zijn toevlucht genomen tot het Saoedische Jeddah. De protesterende jongeren, gefrustreerd door economische uitzichtloosheid en welig tierende corruptie, voelen voor het eerst in lange tijd een zekere trots. Ze twitteren erop los. De hele wereld zal het weten. Eigenhandig – zonder hulp van buitenaf – hebben ze de verdorven dictator het land uitgejaagd. Eigenhandig hebben ze de eerste grassroots Arabische revolutie teweeggebracht. Ze maken een lange neus naar al diegenen die de Arabische bevolking afschilderen als politiek apathisch en onwaardig voor democratie.

Echt verrassend zijn de gebeurtenissen niet. De structurele problemen in het land duidden al tijden op een prangende behoefte aan verandering. Meer dan de helft van de Tunesische bevolking is jonger dan 25 jaar. Een groeiende groep geniet hoger onderwijs, maar steeds minder onder hen vinden een baan. Professioneel geluk hangt af van wie je kent en wat je bereid bent ervoor te betalen.

Arm zijn in een arm land is erg. Arm zijn in een land waar anderen rijk zijn, is verschrikkelijk.

Tunesië kent rijkdom. Via de toeristische sector, de oliebronnen en Europese subsidies komen miljoenen euro’s het land binnen. Helaas komen deze nooit veel verder dan de familieleden van Ben Ali en zijn vrouw, de alom gehate Leïla Ben Ali-Trabelsi. Een kleine groep intimi beheert het allemaal: de grote hotels, de bedrijven, de moderne supermarkten, de gigantische paleizen en de jaloersmakende jachten. De westerse toerist, die in Tunesië bier mag drinken en topless kan zonnen, ziet dit als een vorm van economische openheid en modernisering. In realiteit is het niet meer dan de façade van een illegitiem, persoonlijk imperium.

De spanningen die uit deze economische ongelijkheid voortvloeien, zijn nauwelijks uniek. In Egypte, in Jordanië, in Algerije en in veel andere landen in de wereld tref je soortgelijke situaties aan. De angst bij Hosni Mubarak, koning Abdullah II en Abdelaziz Bouteflika zit er goed in.

Waarom heeft Tunesië de primeur? Het verschil zit in de manier waarop maatschappelijke spanningen worden gekanaliseerd. In Egypte, bijvoorbeeld, is de politieke repressie aanzienlijk en zijn de repercussies voor dissidenten allesbehalve lichtzinnig. Toch zijn deze nog niet zo dramatisch dat het bloggers en activisten ervan weerhoudt vervolging te riskeren. Ter illustratie: afgelopen zomer was ik aanwezig bij een bijeenkomst van de veroordeelde Egyptische activist Saad Eddin Ibrahim. Nadat hij zijn verhaal had gedaan, stond een aangeslagen Tunesische vrouw in het publiek op. Onder bijval van andere Tunesiërs in de zaal gaf ze aan jaloers te zijn op de maatschappelijke zichtbaarheid van Egyptes activisten. In de ultieme politiestaat, Tunesië, was het ondenkbaar dat ook maar iemand enige vorm van kritiek zou durven uiten. Nu blijkt, wederom: hoe harder de repressie, des te venijniger het overkoken. „Liever dood dan zo”, luidde een kreet van demonstranten.

Weinig vonken waren nodig om de gemoedstoestand van Tunesische jongeren te doen ontvlammen: een WikiLeaks-document over de corruptie van Ben Ali’s regime, een lading anticensuursoftware om het digitale verkeer – Twitter, Facebook, YouTube – gaande te houden en, een maand geleden, de letterlijke vonk die het land in lichterlaaie zou zetten, een jonge groenteboer, (afgestudeerd aan de universiteit), Mohamed Bouazizi, uit het dorp Sidi Bouzid, die zichzelf in brand stak voor een lokaal overheidsgebouw. Bouazizi werd het symbool van de Tunesische revolte.

Wat nu? Een machtsvacuüm brengt altijd onzekerheden met zich mee. Ben Ali was de tweede president sinds de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1956. Een traditie van democratische machtswisseling is er nooit geweest.

De parlementaire leider, Foued Mbazaa, is aangesteld als interim-president. Volgens de Tunesische Grondwet moeten er nu binnen zestig dagen verkiezingen plaatsvinden. Vooralsnog is niemand de baas. Het leger zegt de bevolking te beschermen, maar heeft ongetwijfeld een minder democratische agenda in gedachten dan de meeste jongeren die deze revolutie mogelijk hebben gemaakt.

Seculiere oppositieleiders in ballingschap, zoals Sihem Bensedrine, keren terug. Frankrijk of Europa zullen vast een rol voor zichzelf zien, al was het maar om een déjà vu van ‘Algerije 1988’ te voorkomen. Het spontane oproer dat daar toen uitbrak leidde tot een democratisering van het politieke bestel. Toen echter duidelijk werd dat de politieke islamisten op een verkiezingsoverwinning zouden afstevenen, werden de verkiezingen geannuleerd. Een wrede burgeroorlog was het gevolg.

Frankrijk en Europa worden wederom geconfronteerd met pijnlijke tegenstrijdigheden in hun buitenlandse beleid. Hoewel veel analisten Ben Ali’s regime als het meest repressieve in de regio beschouwen, veegde politiek Europa deze kanttekening onder het tapijt. Uit zowel economisch winstbejag als uit angst dat democratisering zou leiden tot islamisering werd Ben Ali gesteund door Europa. Ondanks de mensenrechtenretoriek en de roep om politieke vrijheden heeft Europa zich welwetend blind gestaard op de façade van tolerante toeristenoorden en bedrijfsprivatiseringen (aan familieleden).

Tunesië is volgens Europa dan ook een rolmodel voor de rest van Noord-Afrika.

Het is te hopen dat de actuele gebeurtenissen niet alleen het zand uit de ogen van andere dictators zullen wrijven, maar dat ook Europese leiders eindelijk zullen inzien dat het steunen van een dictatuur averechts werkt.

Saskia van Genugten is PhD-kandidaat aan de Johns Hopkins University School for Advanced International Studies in Bologna. Zij onderzoekt de Europese betrekkingen met Noord-Afrika.