Dubbele sjak

Het is een droge zondagochtend en Peter Post is dood. Rijen dus. Fietsen.

Ik fiets door een uitslapende stad. De bloemenman bij het kerkhof is de eerste levende die ik zie. De poort is open. Een versteende roofvogel siert een grafzerk.

Eind vorig jaar mijn vader, begin januari voetballer Coen Moulijn en vlak voor het weekeinde oud-ploegleider Peter Post – ik ben even klaar met de dood. Ik wil het volle leven tegemoet fietsen. Vooruit moet het, tijdens mijn vaste rondje.

Ik zoek slachtoffers om mijn tanden in te zetten. Dikzakken met als enige intentie er kilo’s af te trainen, klojo’s op een te laag afgesteld zadel, slome duikelaars op een stadsfiets. Ze gaan eraan. Allemaal.

In de verte zie ik iemand voorover gebogen op zijn fiets zitten. Die pak ik. Zwaarder schakelen, wind mee. Ik ben op nog geen honderd meter genaderd, stapt die idioot af. Hij staat aan zijn versnelling te prutsen als ik langs fiets. Daar komt Peter Post om de hoek kijken: je materiaal moest altijd in orde zijn, als je bij hem in de wielerploeg reed. Perfectie was zijn toverwoord.

In de verte fietst een flink ploegje recreanten. Dat is een fijn mikpunt, op naar het laatste wiel. Ik merk dat ik mijn zadel een paar weken niet heb gevoeld. Het smalle strookje kunststof drukt nadrukkelijk omhoog.

Peter Post lag op de massagetafel en vertelde over aandoeningen aan zijn zitvlak tijdens zijn carrière. Hij maakte een paar plastische handbewegingen rond zijn kruis en begon over de ontsteking alias de derde bal. Post: „Dan had ik sjak, en daarachter nog een soort van sjak. Een dubbele sjak, zeg maar.”

Twee achterblijvers van het groepje bijgehaald. De rest rijdt honderd meter verderop. Een minuut later sluit ik aan bij zes mannen. Het is een zootje. Ze vormen geen strakke lijn, er is geen heldere overname.

Peter Post en zijn renners vertelden in de gisteren weer uitgezonden documentaire De Posttrein hoe je als ploeg een tijdrit moest rijden. Post was de wielerregisseur. Zijn jongens moesten achter elkaar en met elkaar rijden. Zwakke en sterke schakels tot één ketting smelten. Fietsen als Gesamtkunstwerk.

Ik neem een andere route dan de groep en rijd weer alleen verder. Harde tegenwind. Benen en hersens malen.

Ooit had ik het genoegen voor een filmpje de Cauberg te beklimmen, met Post in de auto als ploegleider. Dat is een beschamende vertoning geweest. Ik ploeterde met een lullig bergverzetje omhoog. Ik zag de markante kop uit het open raam hangen. Zijn arm vormde de karakteristieke driehoek tegen het portier. Dat beeld neemt niemand me af.

Thuis zet ik mijn smerig geworden fiets naast de televisie. Lance Armstrong verschijnt in beeld in het nieuwe Radioshack-shirt. Armstrong, nu al weer? Hij spreekt het wielerpubliek toe tijdens de Council Cancer Classic, een paar dagen voor de start in de Tour Down Under. Hij steekt de getroffenen van de recente overstromingen in Australië een hart onder de riem.

Armstrong is steeds minder fietsen, steeds meer weldoen.

Het is tijd om te douchen. Het verleden wegspoelen. De blik naar voren. De dood een rotschop verkopen.

Nog één keer Peter Post: „Na een overwinning was ik meteen alweer bezig met de volgende dag. Altijd maar vooruit, vooruit, vooruit.”