De wederopbouwmissie was van meet af aan een vechtmissie

Diplomatenpost

In het voorjaar van 2006 rijden de eerste Nederlandse militairen Uruzgan binnen. Officieel zijn ze ‘verkenners’ voor de NAVO-stabilisatiemacht ISAF. De werkelijkheid blijkt anders. Er moet al meteen keihard worden gevochten. Intussen groeit in de Tweede Kamer het verzet tegen een nieuwe missie.

In mei 2006 stuurde de Amerikaanse ambassade in Kabul een alarmerend memo naar het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken over de veiligheidssituatie in de Afghaanse provincie Uruzgan. De situatie, schreef ambassadeur Ronald Neumann , was „kritiek”.

Voorjaar 2006. Nederlandse militairen staan op het punt te beginnen aan hun missie in Uruzgan. Volgens de Haagse politiek zou de operatie in het teken staan van ‘stabilisatie’ en ‘wederopbouw’.

Maar terwijl de eerste Nederlandse kwartiermakers arriveerden voor de ‘wederopbouwmissie’ in Uruzgan , dreigde de provincie compleet onder de voet te worden gelopen door de Talibaan.

„De afgelopen weken zijn de opstandelingen brutaler geworden”, schreef de Amerikaanse ambassade in Kabul op 14 mei, „ze verplaatsen zich in grotere verbanden en opereren nu ook in de steden.”

De Talibaan controleren de strategisch belangrijke Chora-vallei in centraal-Uruzgan. Van daaruit breiden ze hun operaties uit naar het zuiden, richting de provinciehoofdstad Tarin Kowt. Amerikaanse en Australische special forces raken meermalen per week in vuurcontact met Talibaanstrijders. De gevechten, schrijft de ambassade in Kabul, „demonstreren de intentie van de Talibaan om te opereren in wat tot voor kort Uruzgans veiligste gebied was”.

De berichten van de Amerikaanse ambassade in Kabul laten voor het eerst zien onder welke omstandigheden de Nederlandse missie in 2006 begon. ‘Task Force Uruzgan’ eiste de levens van 25 Nederlandse militairen. Vele tientallen Nederlanders raakten gewond.

Uruzgan was een vechtmissie, zoveel is nu wel duidelijk. Maar in 2006 schetste de politiek nog een heel ander beeld. Sinds 2002 had je in Afghanistan operatie Enduring Freedom: de oorlog tegen Al-Qaeda en de Talibaan. Maar de Nederlandse militairen in Uruzgan, zei Den Haag, zouden daar niet aan mee doen. De missie in Uruzgan viel onder het mandaat van de NAVO-‘stabilisatiemacht’ ISAF. Naarmate het geweld in Afghanistan verminderde, zou Enduring Freedom het stokje overgeven aan ISAF. „Verdere uitbreiding van het operatiegebied van ISAF”, schreef het kabinet aan de Tweede Kamer, „maakt deel uit van het streven om op termijn de NAVO in heel Afghanistan als stabilisatiemacht op te laten treden en zo wederopbouw van het land mogelijk te maken.”

Maar dat was de theorie. In werkelijkheid moest er nog hard worden gevochten, voordat er sprake kon zijn 'stabilisatie' .

Minster van Defensie Henk Kamp (VVD) wist dat maar al te goed. De besluitvorming in het tweede kabinet Balkenende( CDA, VVD, D66) was uiterst moeizaam verlopen, door verzet van D66-minsters Brinkhorst en Pechtold. Maar uit de ambtsberichten van de Amerikaanse ambassade blijkt dat minister Kamp zelf ook grote twijfels had.

Dat Kamp voor de missie terugschrok, was veelbetekenend voor de Amerikanen. De VVD-minister gold als krachtige bewindsman, die samen met commandant der strijdkrachten Dick Berlijn het leger had omgevormd tot een effectieve krijgsmacht. Om het nut van Defensie te bewijzen, moesten de militairen ook worden ingezet, zovonden minister en generaal. „Kamp en Berlijn geloven in het ‘use or loose’ principe en hebben daarom steeds meer uitdagende missies gezocht”, schreef ambassadeur Clifford Sobel op 22 augustus 2005. De bekroning van die politiek is de inzet van 150 special forces in Afghanistan. Vanaf medio 2005 joegen Nederlandse commando's onder de vlag van Enduring Freedom in het zuiden van de provincie Kandahar op Al-Qaeda. De Amerikanen vinden het een omslag in het politiek-militaire denken in Den Haag.

Maar zelfs Kamp schrikt zich rot, als hij in november de veiligheidsanalyse leest van de militaire inlichtingendienst MIVD. Het MIVD-rapport, meldt de Amerikaanse ambassade in Den Haag op 9 november 2011, „stelde dat de veiligheidssituatie in de provincie [Uruzgan] veel ernstiger was dan verwacht.” Minister Kamp, zo heeft directeur-generaal Hugo Siblesz een dag eerder tegen de ambassade verteld, heeft „grote persoonlijke bezwaren” tegen de missie in Uruzgan.

Om die bezwaren weg te nemen, moet de MIVD zijn werk overdoen. Met het verschijnen van een tweede, „genuanceerder rapport”, vertelt een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken een week later aan de Amerikanen, lijkt de missie in Uruzgan meer „uitvoerbaar” („doable’’). Maar Kamp blijft aarzelen. „De Nederlandse minister van Defensie Kamp heeft nog geen beslissing genomen over de inzet van Nederlandse troepen in Uruzgan”, schrijft de Amerikaanse ambassade in Den Haag een week later. Pas als de VS de garantie geven dat ze hun troepen in het noorden van Uruzgan niet terug zullen trekken, stemt Kamp in met de missie.

In het voorjaar van 2006 rijden de eerste Nederlandse militairen Uruzgan binnen. Het zijn de special forces uit Kandahar, die naar het noorden zijn gedirigeerd. Officieel is de missie van ‘Task Force Viper’ april afgelopen. Vanaf die datum zijn de Nederlandse commando’s niet langer gevechtstroepen in dienst van Enduring Freedom, maar ‘verkenners’ voor de stabilisatiemacht ISAF.

In de praktijk moeten de commando’s schietend voorwaarts. In mei 2006 beginnen 8.000 Amerikaanse, Britse en Canadese militairen een massaal offensief tegen de Talibaan in Zuid-Afghanistan. Operatie ‘Mountain Thrust’ moet Zuid-Afghanistan zuiveren van de Talibaan. Een groot deel van de gevechten vindt plaats in Uruzgan. Vanaf de wallen van het kamp bij Tarin Kowt zien Nederlandse kwartiermakers de nachtelijke hemel oplichten. „Lichtspoormunitie’’, vertelt een Nederlandse militairen, als deze krant in juni 2006 een bezoek brengt aan Tarin Kowt. „Bommen, raketten, alles.’’

De Nederlandse commando’s doen mee met de gevechten. Op 8 juni spreekt Lo Casteleijn, directeur Algmene Beleidszaken, met de Amerikaanse ambassadeur Roland Arnall. Casteleijn vertelt over zware gevechten die Nederlandse commando’s voeren. „Volgens Casteleijn en anderen zijn Nederlandse special forces betrokken geweest bij pogingen de plaats Chora te heroveren” schrijft Arnall „Nederlandse commando’s leverden op 1 juni een vuurgevecht met de Talibaan. Nederlandse Apache helikopters en F-16’s van de coalitie leverden luchtsteun aan de Nederlandse troepen.” Volgens Arnall lijdt het humeur van Casteleijn er niet onder.

Toch liggen de gevechtsacties gevoelig. Om de Tweede Kamer over de streep te trekken, heeft het kabinet de nadruk gelegd op de civiele kant van de missie. In summiere persberichten wordt gesproken van „vuurcontacten” en „schermutselingen”. Commandant der Strijdkrachten Berlijn geeft tijdens een persconferentie op 1 juni toe dat de veiligheidssituatie in Urzgan zorgen baart. „Maar het is niet zo dat de Talibaan voor de poort staan.” Toch is dat precies wat de Amerikaanse ambassade in Kabul nog geen twee weken eerder aan Washington heeft gemeld.

In juni komt er iets meer naar buiten over de gevechten van Nederlandse troepen. Kolonel Henk Morsink, commandant van de Nederlandse kwartiermakers, vertelt in een interview met deze krant dat er waarschijnlijk „tientallen” Talibaanstrijders zijn omgekomen door Nederlands vuur. De Tweede Kamer is woedend, schrijft de Amerikaanse ambassade op 6 juni. „De parlementariërs waren razend dat ze via de pers van de gevechten moesten horen.”

Pas op 21 juli 2006 wordt voor iedereen duidelijk hoe gevaarlijk het is in Uruzgan. Berlijn maakt bekend dat Nederlandse troepen betrokken waren bij een grote gevechtsactie rond Tarin Kowt. Berlijn spreekt van „de grootste dreiging tot nu toe.” In 2009 zal commando Marko Kroon de militaire Willemsorde krijgen voor zijn moedige optreden tijdens operatie ‘Perth’. Het programmaboekje van de huldiging vermeldt nog drie andere gevechten.