'De neiging bestaat om achter de dijken te schuilen'

Den Haag, 17 jan. - Zo werkt dat, persoonlijke relaties opbouwen tussen wereldleiders. Rond de tijd dat de oorlog in Irak uit de hand liep, kwamen de Amerikaanse ambassadeur en de nieuwe premier Jan Peter Balkenende bijeen. Ze spraken over politieke ambities en de rol van het geloof daarin. Balkenende liep het lijstje met zijn „persoonlijke oogmerken” voor zijn tweede kabinet af. Innovatie. Het EU-voorzitterschap. Normen en waarden. „Waarden zijn belangrijk voor deze christen-democratische premier”, zo vat de diplomatenpost uit de zomer van 2003 samen.

Innovatie, dat sprak ambassadeur Clifford Sobel ook best aan, maar hij wilde langer stil staan bij dat andere: christelijke waarden. „Sobel wees op de overeenkomsten tussen de zienswijze van premier Balkenende en die van president Bush.” Wilde Balkenende geen briefings krijgen over hoe Bush in eigen land op het geloof gebaseerd beleid maakte?

Nederlandse politici, hun beleid en het Haagse politieke bedrijf worden nauwgezet in de gaten gehouden door de ambassade, die gedetailleerd verslag uitbrengt aan. Uit de stukken ontstaat een beeld van hoe de ambassade het Haagse politieke krachtenveld probeert te duiden. Wie zijn die politici en hoe moet je ze zien?

De cables zijn doorgaans nauwkeurig geformuleerd en op feiten gebaseerd. Soms bevatten ze echter verkeerde inschattingen. Zo verwachtten de diplomaten na de verkiezingen van 2006 een langdurige formatie – „áls die al slaagt”. Het duurde misschien 91 dagen, maar het kabinet Balkenende IV kwam er.

Ander voorbeeld: de commissie-Davids, die onderzocht hoe Nederland betrokken raakte bij de inval in Irak. Begin 2009 stemde de premier „verrassend genoeg” in met de studie. „Hiermee wordt wat tijd gewonnen”, maar „het is onwaarschijnlijk dat het onderzoek de queeste van de oppositie om te laten zien dat Nederland de oorlog in Irak op valse gronden steunde zal beëindigen”. Dat gebeurde juist wel, al was het na een moeizame erkenning van het kabinet dat verkeerde inschattingen waren gemaakt. Het onderwerp is nu nagenoeg van de agenda verdwenen.

De ambassade ging verder: „Na het rapport zal de oppositie waarschijnlijk vragen om een parlementair onderzoek.” Ook dat is niet gebeurd. Dan wordt gespeculeerd dat het „onwaarschijnlijk” is dat het kabinet hierop ontbonden zal moeten worden. Uiteindelijk struikelde het Balkenende IV misschien niet op Davids’ rapport, maar het leidde wel tot een breuk tussen de coalitiepartijen. Een maand later viel het kabinet alsnog.

Een laatste illustratie van een verkeerde analyse: oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk zou eind 2007 „zo goed als zeker” de nieuwe PvdA-partijvoorzitter worden, „een positie van waaruit hij Bos en het beleid kan beïnvloeden”. De ambassade was niet de enige die dit voorspelde, maar na een spannende verkiezing verloor Pronk.

De politieke aardverschuivingen van het laatste decennium – inclusief de opkomst van nieuwe partijen en de afbraak van traditionele kiezersbastions – komt in de ambtsberichten terug. „Het land is verscheurd” en „de Nederlandse kiezers zijn diep verdeeld”, staat er in 2006, „en dat wordt alleen maar erger”.

Wat opvalt: de cables zijn negatief over de PvdA. In 2009 wordt „wanorde” in de partij vastgesteld en „in tegenstelling tot de christen-democraten heeft de PvdA geen historie van het maken van stevige beleidsbeslissingen”. De SP werd ook als „serieuze bedreiging” gezien voor de heerschappij van de PvdA op links.

Behalve over partijen en politici oordelen de Amerikanen ook over het politieke bestel. „Het Nederlandse besluitvormingsproces is op z’n best langzaam en vaag.” Of, zoals de minister van Binnenlandse Veiligheid voorafgaand aan een bezoek te horen krijgt: „Sommige problemen zijn structureel, zoals het Nederlandse systeem van op consensus gerichte politieke besluiten, waardoor doeltreffend ingrijpen vaak uitblijft.”

De Nederlandse politiek vertegenwoordigt een maatschappij waar de „neiging bestaat om achter de dijken te schuilen in plaats van volledig mee te doen met de rest van de wereld”. Dat wordt duidelijk uit „de toenemende angst voor globalisering en scepsis over ontwikkelingshulp”. Maar gelukkig. Er is bij de kiezers „daverend enthousiasme” voor president Obama en „tevredenheid” over het functioneren van de overheid.

En de pers? Die krijgt geregeld een aparte vermelding. De „conservative” krant De Telegraaf wordt vanwege de oplage de belangrijkste krant genoemd, „leading daily NRC Handelsblad” is zowel „center-left” als „right of center” en als er kritiek is in de media op Amerikaans beleid hoort Washington dat. Ook rapporteert de ambassade dat een bezoek van Balkenende aan de VS in 2003 misschien „productief” was, het feit dat Nederlandse ambtenaren achteraf „klagen” over de „cynische vooroordelen” van „de” Nederlandse media wordt ook vermeld.

Later, in 2009, vierde Nederland een jaar feest ter ere van de „ontdekking” (aanhalingstekens van ambassade) van de Hudson Rivier door de gelijknamige ontdekkingsreiziger. Het was een prestigeproject voor Nederland, maar ging nagenoeg aan de VS voorbij. Als minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton wordt voorbereid op een ontmoeting met haar ambtgenoot krijgt ze dan het advies „te refereren aan onze banden in het verleden en onze gedeelde toekomst als u Verhagen ontmoet, en in het bijzonder als u met de pers praat”.

Al in 2003 beschrijven de diplomaten de grondhouding waaraan ze zich ook in de „turbulente” politieke jaren daarna zullen vasthouden. Om ministers, parlementariërs en topambtenaren binnen de Nederlandse overheid „voldoende en consequent te kunnen laten focussen op Amerikaanse belangen is een arbeidsintensief proces nodig – maar het is de moeite waard”.