Bied dat mensenrechtenhof weerwerk

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens trekt steeds meer macht naar zich toe. Regeringen kunnen daar best eens iets tegen doen, betoogt Tom Zwart.

De Italiaanse premier Berlusconi heeft het niet zo op rechters, zoals bekend, maar vorig jaar kon hij de rechters van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wel zoenen. Zij hadden bepaald dat een Italiaans gebod, om in alle klassen van alle openbare scholen kruisbeelden te hebben, in strijd was met de Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Berslusconi kondigde aan dat Italië de uitspraak in de Lautsi-zaak naast zich neer zou leggen, zelfs als het Hof haar zou bevestigen in appèl. De publieke opinie en alle politieke partijen, van links tot rechts, schaarden zich achter hun premier. Zijn populariteit in de peilingen steeg enorm.

Nu vinden politici al snel dat het Europees Hof hen niet begrijpt en dat hun land ten onrechte wordt veroordeeld, maar in dit geval had Berlusconi een punt. Het Hof had de zaak beslist op grond van een bepaling in het Verdrag die ouders het recht geeft op onderwijs voor hun kinderen dat in overeenstemming is met hun eigen godsdienstige overtuiging. Het hebben van kruisbeelden in de klas in het overwegend katholieke Italië lijkt daarmee in overeenstemming.

Het Hof dacht daar anders over. Het kwam tot de conclusie dat in deze bepaling het beginsel van secularisme ligt besloten, dat zich verzet tegen kruisbeelden in openbare klaslokalen. Dat beginsel van secularisme wordt in het hele Verdrag met geen woord genoemd. Het is wat vreemd om het uitgerekend te lezen in een bepaling die de combinatie aanmoedigt van onderwijs en godsdienst.

Deze uitspraak toont aan dat het Hof zich soms onvoldoende bewust is van de maatschappelijke context van zijn oordelen. Op den duur kan dat zijn legitimiteit schaden.

Vroeger woonden rechters in hun land van herkomst. Ze reisden af en toe voor een vergadering naar Straatsburg. Tegenwoordig verblijven ze daar permanent. Door de enorme werklast komen ze niet veel buiten de deur. Ze betrekken veel van hun informatie van mensenrechten-ngo’s die zich voegen in de zaken in Straatsburg. De uitspraken lijken vooral gericht op de kring van academici die het Hof intensief volgen.

Door de enorme hoeveelheid zaken die het Hof jaarlijks behandelt, ontbreekt het overzicht. Tegenstrijdige uitspraken zijn helaas geen uitzondering.

In de recente zaken-Féret en -Le Pen, die van belang zijn voor de Wilders-zaak, stelde het Hof zich opeens uiterst kritisch op tegenover uitlatingen van politici die beledigend zouden kunnen zijn voor bevolkingsgroepen. Dat was op zijn zachtst gezegd opmerkelijk, omdat het gedurende de vijftig jaar daarvoor juist ruim baan had gegeven aan dat soort opvattingen. Het Hof legde niet uit waarom het deze opstelling koos.

In het uitdijende Verdrag leest het Hof steeds meer en verfijndere rechten. Daardoor begint het Hof steeds meer te lijken op koning Midas, omdat alles wat het aanraakt in mensenrechten verandert.

Dat het Hof tegen de stroom ingaat, is mede mogelijk doordat anderen het geen spiegel voorhouden. Ngo’s en academici zijn doorgaans zeer tevreden met de alsmaar uitdijende mensenrechtenbescherming van het Hof. Van hen valt dus geen tegenspel te verwachten. Daarom is juist voor politici een belangrijke rol weggelegd op dit gebied.

Nu en dan gebeurt dat ook wel. Zo zal prime minister Cameron van het Verenigd Koninkrijk binnenkort een wetsvoorstel indienen waarin hij Britse rechters ontmoedigt om zich nog langer te voegen naar Straatsburgse uitspraken, behalve in zaken waarin Groot-Brittannië zelf partij is. Dit signaal is, over de hoofden van de Britse rechters heen, vooral bedoeld voor het Hof.

Op grond van het regeerakkoord buigt de Nederlandse regering zich momenteel over de vraag wat het aan moet met het mensenrechtenhof. Als ze de koe bij de horens wil vatten, zijn de volgende quick fixes, die bij wijze van spreken morgen kunnen worden opgepakt, essentieel.

Zo kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa in resoluties uitspraken doen over de betekenis van bepalingen in het Verdrag. Aangezien het Hof bij de interpretatie van het Verdrag met zulke subsequent practices rekening moet houden, kan de uitdijende jurisprudentie op deze manier in toom worden gehouden en kan de koers worden bijgesteld.

In het Comité van Ministers kunnen ook goede afspraken worden gemaakt over de zogenoemde ‘voorlopige maatregelen’. Dat zijn bevelen die het Hof richt aan deelnemende landen die van plan zijn om vreemdelingen uit te zetten naar andere landen. Als het Hof bang is dat die vreemdelingen daar iets zal overkomen, vraagt het de bewuste staat om niet tot uitzetting over te gaan totdat het over de hoofdzaak heeft beslist. Het Hof grijpt steeds gemakkelijker naar dit middel en stelt daarbij steeds hogere eisen aan de staten, ook al omdat het geen weerwerk krijgt. De brief van het Hof over de uitzetting van Irakezen, die minster Leers (Asiel, CDA) in november vorig jaar een spoeddebat met de Kamer opleverde, is daarvan een goed voorbeeld. Nederland zou hiervoor binnen het Comité van Ministers een procedure kunnen ontwikkelen die recht doet aan alle belangen, ook aan die van de staten zelf.

Ten slotte wordt steeds minder gebruikgemaakt van de mogelijkheid om zaken in Straatsburg af te doen door middel van minnelijke schikkingen, waarbij de klager en de staat er samen uit proberen te komen. Het resultaat is dat veel meer zaken dan noodzakelijk worden afgedaan met een rechterlijke uitspraak. Dat leidt tot onwenselijke juridisering. Ook hier kan het Comité van Ministers op Nederlands initiatief nog een belangrijke slag maken.

Tom Zwart is hoogleraar rechten van de mens aan de Universiteit Utrecht en lid van het curatorium van de Teldersstichting.