Anti-vaccinatiebeweging gedijt alleen in gezonde samenleving

Het geloof dat vaccins meer kwaad dan goed doen houdt geen stand in gemeenschappen die geconfronteerd worden met ernstige ziekteverschijnselen. Zelfs al is het vaccin wel degelijk schadelijk.

Tot die conclusie komt journalist Seth Mnookin in zijn vorige week verschenen boek The Panic Virus: A True Story of Medicine, Science, and Fear (Simon & Schuster).

Vertrouwen in falend laboratorium

Hij onderbouwt zijn bewering met ‘The Cutter incident’, één van de grootste farmaceutische drama’s in de geschiedenis van de VS. Het laboratorium dat in 1955 vaccins tegen polio leverde had een productiefout gemaakt waardoor duizenden kinderen daadwerkelijk polio kregen. Toch hield het grote publiek vertrouwen in de vaccins van Cutter Laboratories. “Het gegeven dat polio is uitgeroeid in dit land toont aan hoe wijdverbreid de vrees destijds was”, verklaart Mnookin in een interview met het Amerikaanse tijdschrift The Salon. In het Westen hebben we momenteel geen ervaring met dergelijke uitbraken. En daarom zitten we volgens Mnookin met het zogeheten ‘paniekvirus’: geen vrees voor het virus, maar voor het stofje in de spuit.

Geest kan niet terug in de fles

Mnookin gelooft niet dat de anti-vaccinatiebeweging te bestrijden is met rationele, wetenschappelijke argumenten. Als voorbeeld neemt hij de mythe dat het BMR-vaccin (tegen bof, mazelen en rodehond) ontwikkelingsstoornissen als autisme veroorzaakt. Die mythe werd in 1998 gemeengoed toen dr. Andrew Wakefield de vermeende link zogenaamd wetenschappelijk onderbouwde in het vakblad The Lancet. Al snel bleek dat zijn onderzoek niet deugde en ingestoken was door een organisatie die rechtsbijstand verleent aan ouders die menen dat hun kind autistisch is geworden door het vaccin. Rapport na rapport maakte gehakt van Wakefields onderzoek, maar de mythe is nog springlevend getuige de website wesupportandywakefield.com.

“Het is alsof je de geest weer in de fles moet zien te krijgen”, zegt Mnookin tegen The Salon. Daarmee doelt hij op de onmogelijkheid een gerucht definitief de wereld uit te helpen. Hij vergelijkt het met de twijfels die gezaaid zijn rondom het staatsburgerschap van president Obama (geboren in Indonesië? Afrika?). Als iets eenmaal onderwerp van discussie is geweest, zo betoogt Mnookin, dan zal het dat altijd blijven. Ook al komt er hard bewijs, zoals een Amerikaans geboortecertificaat.

Juist goed opgeleiden zien spoken

Mnookin merkt op dat juist welgestelde, goed opgeleide mensen in liberale gemeenschappen vatbaar zijn voor dit soort theorieën. Zij kunnen zich voorstellen dat de farmaceutische industrie niet altijd hun eigenbelang nastreeft. En dat grote bedrijven in staat zijn wetgevers te manipuleren. Tegelijkertijd spelen er emoties: als het om hun kinderen gaat kunnen ouders niet rationeel denken, meent Mnookin. Een gerucht kan hen al doen besluiten af te zien van vaccinatie. Ook het taalgebruik van wetenschappers, hoe legitiem ook, helpt niet. Wie zegt dat iets ‘veilig is met de wetenschap van nu’ impliceert daarmee ook dat hetzelfde vaccin morgen weleens onveilig kan zijn.

De media hebben een grote verantwoordelijkheid, vindt Mnookin. Hij verbaast zich erover dat redacties alleen hockeykenners over hockey laten schrijven, maar dat een kankeronderzoek zomaar door een algemeen redacteur behandeld kan worden. Mnookin wil dat journalisten zich bewust worden van de keerzijde van een primeur, namelijk de afgang als blijkt dat je als eerste een verhaal bracht dat achteraf ridicuul blijkt.