Zwaardere lasten voor homo metallicus

In de loop van de komende tien dagen krijgen miljoenen werknemers hun eerste salarisoverzicht van 2011 in handen. Een deel van de loontrekkers gaat een hoger brutosalaris verdienen. Maar ook wie er bruto niet op vooruitgaat, toucheert netto een ander bedrag. Want per 1 januari is het belastingtarief veranderd. Soms gaat ook de pensioenpremie omhoog omdat het eigen pensioenfonds in zwaar weer verkeert. En de via de Belastingdienst geïnde bijdrage voor de basisverzekering tegen ziektekosten is gestegen. Bijna als vanzelfsprekend kijkt iedereen eerst naar het nettobedrag. Dat wordt straks immers op de bankrekening bijgeschreven. De vergelijking met het brutosalaris bezorgt sommige werkenden frustratie. Gemiddeld staan zij voor hun gevoel te veel af aan de fiscus.

Voor deze ontevredenen is het maar goed dat zij geen idee hebben hoeveel zij werkelijk verdienen. Dat is veel meer dan het brutobedrag op het salarisoverzicht suggereert. Werkgevers betalen voor hun werknemers diverse sociale premies en het grootste deel van de pensioenpremie. Zij houden die werkgeverslasten niet in op het brutoloon, maar betalen ze rechtstreeks uit de bedrijfskas. Daarom zijn ze niet op het salarisoverzicht terug te vinden. Maar de werknemer moet ook de werkgeverslasten voor zijn werkgever verdienen. Maakt hij met zijn inspanningen zijn totale arbeidskosten (brutosalaris plus werkgeverslasten) niet goed, dan is het voor de werkgever niet langer lonend hem of haar in dienst te houden.

Ingehouden belasting en sociale premies variëren met de persoonlijke omstandigheden. Toch willen beleidsmakers in Den Haag een beeld hebben van de ontwikkeling van lonen en lasten. Daartoe dienen de befaamde koopkrachtoverzichten, met alle beperkingen die er aan kleven. Het Centraal Planbureau maakt ze vanaf 1969. Mijn betreurde collega Jan Pen, die het afgelopen jaar overleed, vertelde mij ooit dat in de jaren vijftig – toen Nederland een geleide-loonpolitiek kende – al min of meer vergelijkbare cijferopstellingen werden gemaakt voor de homo metallicus – een doorsneewerknemer in de metaalindustrie. Vandaag de dag verdient zijn soortgenoot volgens zijn loonstrook een brutosalaris van 32.990 euro. Hij kost zijn werkgever echter 42.290 euro. In de linkerkolom van de figuur zijn de werkgeverslasten van 9.300 euro blauw aangegeven. De sociaal-economische transparantie zou ermee gediend zijn wanneer onze metaalman in de toekomst een loonstrook ontving die aangeeft dat hij in werkelijkheid bruto 42.290 per jaar verdient, waarvan hij netto amper de helft – 21.780 euro – overhoudt. Tussen bruto- en nettoloon zitten verder de pensioenpremie (grijs), de loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen zoals de AOW (rood) en de betaalde ziektekostenpremie (geel). Vermoedelijk zou het project van de verzorgingsstaat minder steun onder de bevolking genieten als wanneer werknemers voortaan volledige salarisoverzichten kregen, inclusief de sociale premies die rechtstreeks voor rekening van de werkgevers komen.

De overheid neemt en geeft. Hoeveel, dat hangt mede af van de gezinssituatie. Bij de opzet van de figuur is uitgegaan van een familie met één kostwinner en twee jonge kinderen, het standaardgeval uit de jaren vijftig. Weliswaar is het ‘anderhalve-verdiener-gezin’ tegenwoordig de norm, maar de alleenverdiener is voor alle regeringspartijen van ideologisch belang. VVD en PVV hechten eraan dat hardwerkende Nederlanders loon naar werken krijgen en financieel zelfredzaam zijn, ook wanneer hun partner niet kan of wil werken. Het CDA heeft altijd aangevoerd dat iedereen moet kunnen kiezen voor een situatie waarin de partner onbetaald de huishouding doet en grotendeels de kinderen opvoedt. Een modaal gezin met twee jonge kinderen ontvangt dit jaar van de overheid bijna 4.000 euro (oranje in de rechterkolom). Het gaat om drie belastingvrije uitkeringen: kinderbijslag, zorgtoeslag en kindertoeslag. De laatste twee uitkeringen zijn inkomensafhankelijk: bij een stijgend inkomen daalt het ontvangen bedrag.

Zulke inkomensafhankelijke toeslagen hebben het effect van een extra belasting op het arbeidsinkomen. Wanneer de hedendaagse metaalman dit jaar volgens zijn loonstrook bruto 1.000 euro meer gaat verdienen, gaat hij er netto slechts 395 euro op vooruit. De werkgever houdt 474 euro meer in wegens pensioenpremie en loonheffingen, maar hij verliest ook 131 euro aan zorg- en kindertoeslag. Aan de marge – over 1.000 euro extra loon – bedraagt de belastingdruk voor zo’n doorsneewerknemer dus 60,5 procent. Dat is bijna 10 procentpunten meer dan het toptarief van de inkomstenbelasting, waar de meest bemiddelde Nederlanders soms over klagen.

Het meest in het oog springt dat het kabinet-Rutte, dat zegt zich sterk te maken voor hardwerkende Nederlanders, de lastendruk voor de modale werknemer verzwaart. Vorig jaar was hij ‘slechts’ 60 procent kwijt van een brutoloonsverhoging met duizend euro, nu 60,5 procent. De vraag is gepast welk beleid het kabinet hier voor ogen staat. Zal de marginale druk voor gewone werknemers na 2011 nog hoger oplopen, of gaat het roer om? Misschien dat het antwoord is te vinden in een nota van de regering over de toekomst van ons belastingstelsel, die voor het vroege voorjaar op de rol staat. Maar verwacht niet te veel.