Vloeibaar testen

Bij sollicitaties en opleidingen: IQ-tests duiken overal op. Wat zijn die metingen van intelligentie waard? ‘Wie niet oefent voor een test is dom.’

Henk Laarman, ook bekend als klokkenluider in een fraudekwestie op het ministerie van Verkeer, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, werkt sinds vier jaar ‘tot volle tevredenheid’ bij de belastingdienst. Hij dwong zijn aanstelling in 2005 af via de bestuursrechter. Hij toonde met succes aan slachtoffer te zijn geworden van een IQ-test.

Zijn geval is in Groningen lesmateriaal geworden aan de faculteit van geesteswetenschappen. Niet alleen was de gebruikte zogeheten Braintest door de Commissie Testaangelegenheden Nederland (Cotan) als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld, ook had Laarman niet louter op grond van de uitslag van een IQ-test afgewezen mogen worden.

Met het geval-Laarman zitten we in het hart van de wereld van de IQ-test. Hoe betrouwbaar zijn deze tests? Wie bepaalt dat? Hoe worden ze gebruikt en door wie?

Om toch nog even bij de rechtszaak te blijven: Peter Tellegen, universitair docent testontwikkeling aan de Rijksuniversiteit Groningen en zelf ontwerper van drie veel gebruikte tests, was er ‘zeer blij’ mee. „Er zou door geteste personen veel meer naar de rechter gestapt moeten worden. Er worden veelal ingrijpende besluiten over hem of haar genomen op basis van een test en daar is veel tegen te zeggen. Van alle psychodiagnostische tests is de IQ-test weliswaar de beste en betrouwbaarste die er is, maar het blijft niet meer dan een hulpmiddel. Ja, een middeltje, een element dat kan meewegen in de beoordeling van een persoon. Iedereen zou zich bewust moeten zijn van de beperkingen, maar dat is helaas niet zo.”

Eerst een misverstand de wereld uit: er is niet één standaard IQ-test. Sterker, er is een wildgroei aan tests – Arne Evers constateert het met spijt. Hij is coördinator testbeoordelingen van de Cotan, onderdeel van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Zijn commissie beoordeelde zo’n zeshonderd tests. Die worden door testontwikkelaars vrijwillig aan de commissie voorgelegd, er is geen wettelijke verplichting en een beoordeling door Cotan is ook geen keurmerk. Evers: „Wij geven slechts een kwaliteitsoordeel. Meer kunnen we ook niet. De commissie wordt bemand door achttien vrijwilligers uit het veld, die dit werk naast hun normale baan doen.”

Tests worden afgenomen ten behoeve van, grofweg, drie sectoren: de gezondheidszorg (diagnostiek), het onderwijs (niveaubepaling voor vervolgopleiding) en het bedrijfsleven en de overheid (bij sollicitaties). Keuze, gebruik en toepassing van tests zijn wettelijk niet gereguleerd. Maar volgens Evers houden de gezondheidszorg en het onderwijs zich ‘over het algemeen’ aan de richtlijnen en adviezen van de Cotan. „Dat zijn gesubsidieerde sectoren en daar gelden onze richtlijnen als voorwaarden voor toekenning van de subsidie. Wij vinden bijvoorbeeld dat een gediplomeerd psycholoog de test dient af te nemen. Zelfs de allerbeste test kan in handen van een ondeskundige gebruiker onbetrouwbaar worden.”

Evers noemt de IQ-test „de beste voorspeller van cognitieve prestaties”. Teije de Vos, oud-onderwijzer, orthopedagoog en ontwerper van zogeheten ‘cumulatietesten’ voor het basisonderwijs, is het eens met Evers maar zegt: „Het oordeel van de leerkracht is verreweg het belangrijkste. Een test is slechts een momentopname en dient hooguit ter bevestiging van wat de leerkracht eigenlijk al weet.”

De tests van De Vos, die zowel intelligentie als vaardigheden toetsen, worden op vrijwel iedere basisschool gebruikt, toch zegt ook hij: „Dat hele testcircus is kwalijk, net als de rol van de Onderwijsinspectie daarin. De inspectie stimuleert de testcultuur, omdat zij cijfers wil zien. Die vergemakkelijken het toezicht natuurlijk aanzienlijk, maar de werkelijkheid is veel complexer. Met de resultaten van individuele IQ-tests en klassikale Citotoetsen is een goed advies samen te stellen. Punt. Daar zou het moeten stoppen. Maar wat doet de school, onder druk van ‘te lage’ cijfers? Ze past het onderwijs aan aan de Citotoets. Zo wordt de wereld op z’n kop gezet. In plaats van met de toets te checken of het je gelukt is te doen wat je van plan was te doen, wordt de toets het doel. He-le-maal fout.”

Jan-Willem Swane, voorlichter van de Onderwijsinspectie vindt het „logisch dat scholen zich verantwoorden aan de hand van cijfers”. Maar kan het niet zo zijn dat op de ene school slimmere leerlingen zitten dan op de andere? „Wij kijken naar de resultaten over een periode van drie jaar, uitgemiddeld dus. Zo zeven we de fluctuaties door prestaties van individuele leerlingen eruit.”

Maar de schoolcarrière van individuele leerlingen kan wel degelijk bepaald worden door IQ-tests. Wie onder de 70 punten scoort (100 is het gemiddelde) kan niet naar normaal onderwijs. De grens die de Regionale Expertise Centra (Rec) stellen is ‘hard’, tot misnoegen van veel betrokkenen. Yaron Kaldenbach is kinder- en jeugdpsycholoog en IQ-deskundige in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Hij formuleert het zo: „Een IQ-test heeft absoluut waarde maar geen absolute waarde. Scores zijn afhankelijk van omstandigheden en daarom is ‘slagboomdiagnostiek’ – het stellen van absolute grenzen op basis van een enkel getal – erg onwenselijk. De uitslag moet slechts één van de elementen zijn waarop men een oordeel of advies baseert. Anderzijds kan een test zeer nuttig zijn. Ik had laatst een jongen die niet mee kon komen op school en gedragsproblemen toonde. Hij bleek hoogbegaafd te zijn en zich om die reden te vervelen in de klas. Hij heeft een klas overgeslagen en het gaat nu uitstekend met hem.”

Niet alleen in het onderwijs kan een IQ-test bepalend zijn. In het bedrijfsleven waar beunhazerij van ‘assessment’-bureaus vaker voorkomt dan in het onderwijs en de zorg, maken of breken IQ-tests net zo goed carrières. Psycholoog Wim Bloemers schreef over die testpraktijk verschillende boeken, waaronder Het psychologisch onderzoek, inmiddels bijna klassiek want de dertigste druk kwam zojuist uit. Het is een ‘oefenboek’ voor wie onderworpen wordt aan een psychologisch onderzoek, waaronder IQ tests, in het kader van een sollicitatie. Dat zijn volgens Bloemers een half miljoen mensen per jaar. Dat is tevens een indicatie van de geldstromen die in de ‘testindustrie’ omgaan. „De business is ingestort door de crisis maar trekt nu weer aan.”

Bloemers, zelf werkzaam aan de Open Universiteit: „Verreweg de allerbelangrijkste indicator voor succes is intelligentie. Het is de beste voorspeller van arbeidsprestaties, meer dan integriteit, meer dan vlijt, meer dan motivatie of zorgvuldigheid. Intelligentie bepaalt of men kan omgaan met complexiteit en de wereld wordt steeds complexer. Het is dus logisch dat men het IQ test, overigens bij volwassenen niet in punten uitgedrukt maar in niveau: HBO-niveau bijvoorbeeld.”

Bloemers is zelf geen voorstander van testen („vlees keuren”), maar kan de waarde van de IQ-test („de meest valide van alle tests”) niet ontkennen. Hoewel ook hij benadrukt dat de uitslag ‘een indicator te midden van andere’ is, ziet hij geen alternatief. Zijn advies is: oefenen. Tests zijn niet vrijelijk beschikbaar, omdat ze dan waardeloos worden, maar iedereen kent de ‘x staat tot y als a staat tot...?’-formule, de reeksen figuren die aangevuld moeten worden aan de hand van patroonherkenning, de cijferreeksen. Het internet wemelt van de oefensites. Bloemers: „Wie niet oefent voor een test, is dom. Je wordt van oefenen niet slimmer, maar je kunt wel je resultaat opschroeven.”

Maar wat is die doorslaggevende intelligentie eigenlijk? Iedereen heeft wel een idee erover, maar het is een veranderlijk, ‘vloeibaar’ verschijnsel. Vroeger vormde het vermogen abstract te redeneren de kern van iemands intelligentie, nu omvat het begrip veel meer.

Harrie Vorst is wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam en ontwerper van drie tests voor kinderen en scholieren. „Kennis is er nu onderdeel van: als iemand slim is, heeft hij kennis en gebruikt hij die. Geheugen hoort er ook bij. Maar muzikaliteit en lichaamsvaardigheden evenzeer. De vijftig topspelers van de wereld, in tennis of tafeltennis bijvoorbeeld, zijn waanzinnig veel intelligenter dan de gemiddelde mens.”

Volgens Vorst speelt niet alleen motoriek, „aangestuurd door de hersenen”, een rol bij hun prestaties, maar ook tactiek, gevoel voor details, ruimtelijk inzicht. „Zelfs kracht is een vorm van intelligentie, niet bij een bodybuilder, maar wel bij een discuswerper of een danser die zijn partner moet liften. Overigens gaan die vaardigheden altijd ten koste van andere. Wie veel sport, krijgt een sporthoofd. Wat veel gebruikt wordt, wordt groter, wat niet gebruikt wordt, sterft af. Iemand die langdurig bedlegerig geweest is, moet niet alleen weer aan spierkracht terugwinnen maar ook letterlijk opnieuw leren lopen, in zijn hoofd.”

Intelligentie is een absoluut gegeven, volgens Vorst, in de zin dat het de beste voorspeller is van levensloop, baan, opleiding. Hij noemt tests zelfs „een superieur middel”. Maar tegelijkertijd zegt hij: „Vroeger was onze intelligentie stabiel, omdat ons leven dat was. Nu vliegen we de wereld rond, we doen aan jobhopping. Na de oorlog is de intelligentie in de westerse wereld met sprongen omhoog gegaan. Die almaar toenemende algemene intelligentie, het zogeheten Flynneffect, is gelieerd aan betere voeding en aan onze spelcultuur. Wij hebben de tijd om te spelen, creatief te zijn. Een non-verbale test kun je aan Malinezen voorleggen – zoals Amerikaanse onderzoekers doen, wat ik ze zeer kwalijk neem – maar zij hebben geen tijd gehad om te spelen en dat beïnvloedt het resultaat.”

Vorst ziet aan deze toestand wel een eind komen. „We verwachten dat het voedselprobleem in Afrika opgelost gaat worden. Mensen zullen minder hoeven ploeteren en krijgen meer vrije tijd. Daar en in China en India en verwante opkomende landen gaat een reusachtig Flynn-effect optreden. Al die volkeren worden onze compagnons of, zo men wil, onze concurrenten.”