Toeristenvriend gaf zijn volk te weinig

De Tunesische president Zine al-Abidine Ben Ali was vriend van het westen maar niet van zijn volk. Gisteren verloor hij de macht, na enkele weken betogingen.

„Weg met Ben Ali”, schreeuwden betogers gistermiddag in Tunis. „We gaan door tot Ben Ali weg is!”Het is snel gegaan. De Tunesische president Zine al-Abidine Ben Ali is weg.

Vorige week liet Ben Ali nog schieten op de betogingen die half december spontaan waren begonnen nadat een werkloze jongeman zich in de stad Bouzid in brand had gestoken. Terroristen waren de betogers, aangestuurd vanuit het buitenland, om zijn regime te ondermijnen. Maar de betogers weigerden zich te laten intimideren. „Meneer de president, we zijn niet bang meer”, schreef blogger Anis. Toen de president eenmaal begon concessies te doen, werd zijn val onvermijdelijk. Hij ontsloeg zijn minister van Binnenlandse Zaken, liet arrestanten vrij, beloofde een corruptie-onderzoek, hief de censuur op - maar de straat eiste en kreeg zijn hoofd.

Ben Ali (74) was een van die Arabische leiders die presidentsverkiezingen met tegen de 100 procent van de stemmen winnen. Dergelijke percentages zijn meer dan een aardige Midden-Oosterse folklore. Ze weerspiegelen de de repressieve werkelijkheid.

Zine al-Abidine Ben Ali, zoon uit de bescheiden middenklasse, in Frankrijk opgeleid, greep de macht in 1987, door de bejaarde autocraat, ‘president-voor-het-leven’ Habib Bourguiba terzijde te schuiven. Bourguiba had het land na de onafhankelijkheid van Frankrijk gemoderniseerd maar ook op de rand van economische ineenstorting gebracht. Ben Ali veranderde Tunesië vervolgens „in een reusachtige kazerne”, aldus een zeer kritisch boek-pamflet van de Franse journalisten Nicolas Beau van Le Canard Enchainé en Jean-Pierre Tuqoi van Le Monde, ter gelegenheid van de verkiezingen van 1999, die Ben Ali met zijn gebruikelijke 99 procent won.

‘Onze vriend Ben Ali of de keerzijde van het wonder’ luidde de titel van dat boek. ‘Onze vriend’, dat was de Ben Ali met wie westerse leiders zich graag wilden vertonen. De leider van het moderne, stabiele Tunesië, trots op zijn onderwijs, de emancipatie van zijn vrouwen en zijn economische hervormingen. ‘De keerzijde van het wonder’ was het gevangen zetten van opposanten - moslimfundamentalisten voorop, maar even makkelijk liberalen of linkse activisten - routineuze martelpraktijken en persbreidel. Het zonnige toeristenparadijs tegenover de politiestaat. In de Democratie Index 2010 van The Economist staat Tunesië op plaats 144 van de 167 geclassificeerde landen.

Ben Ali, met zijn grote ervaring als oud-directeur van de militaire veiligheidsdienst en daarna van de nationale veiligheidsdienst, had de oppositiepartijen en vakbonden aan banden gelegd; wie niet gevangen zat of in ballingschap hield zich wel gedeisd. De paar journalisten en kunstenaars die hun mond nog durfden open te doen, gingen de gevangenis in en uit, vaak op verzonnen aanklachten als drugshandel of huiselijk geweld. Maar intussen nam onder de gewone burgers geleidelijk de wrok tegen het regime toe.

De toeristische kust was wel welvarend, maar het binnenland verkommerde. Jongeren kwamen er steeds moeilijker aan de slag. Werkloze jongeren keken naar de immense corruptie van La Famille, de omgeving van de president.

„Mensen maken grappen over hun gebrek aan opleiding en hun opzichtige consumptiegedrag”, schreef de Amerikaanse ambassadeur in Tunis in 2008 in een door WikiLeaks gepubliceerd bericht. Maar achter de grappen ging haat schuil. Niet voor niets ging gisteren in Hamamet een protserige villa van de Trabelsi’s, de familie van Ben Ali’s vrouw Leila, in vlammen op. „Nee tegen de Trabelsi’s die het land hebben geplunderd”, scandeerden gisteren de betogers in Tunis. Verscheidene Trabelsi’s zouden onder de eerste arrestanten van de post-Ben Ali-tijd zijn. Anderen zijn gevlucht. Ben Ali is weg. In de andere Arabische landen kijken zijn collega’s zonder twijfel zorgelijk toe.