Sport in beeld

Het jongetje, dat is de blikvanger. Na lang kijken, dat moet er eerlijkheidshalve bij gezegd worden. Dat kunt u, lezer, niet meer ervaren, want u bent nu attent gemaakt op het joch. Betreurenswaardig, maar hoe moeten we het er anders over hebben? Het jongetje valt op, omdat hij als enige niet met zijn armen zwaait en zijn bovenlijf het patroon van het beeld doorbreekt. Nu ja, als je het uiteenzet, is de lol er al af.

Zoek het rood. Fluorescerend geel. Rijen witte tanden. Hele gezichten. Halve gezichten. Je krijgt de onweerstaanbare drang te rubriceren.

En te associëren. Kijk lang genoeg, stáár, en je ziet in plaats van handen afwasborstels. Of een bak vol schroeven, waarin je eindeloos zoeken en graaien moet om de precies die ene te vinden die op een moertje past.

Kijk kort of lang – het is moeilijk te zeggen – en ontdek het potlood. Zoals je in de aders van een granieten vloer ineens een gezicht kunt zien, zo kun je in deze kluwen een reusachtig potlood ontwaren. Valt dat eigenlijk nog uit te leggen aan anderen? Je knippert met je ogen en je ziet geen gezicht meer, en geen potlood, toch kun je beide door opnieuw op die ‘ene bepaalde manier’ te kijken, opnieuw zien. Dick Swaab, auteur van Wij zijn ons brein moet het verschijnsel maar eens uitleggen.

Over de inhoud, de betekenis van dit beeld hebben we nog niet gesproken. Het enthousiasme dan wel de dweepzucht. Wees ook empathisch en denk aan de claustrofobische medemens. En aan het deodorantmerk dat hier reclametechnisch mee uit de voeten kan.

Pieter Kottman