Smaken verschillen, steeds meer

Het gelijkheidsdenken van de jaren zestig heeft gezorgd voor verwijdering tussen hoger en lager opgeleiden, vindt Giselinde Kuipers.

Het is heel moeilijk omgaan met iemand die jouw gevoel voor humor niet deelt.’ Met deze verzuchting begint Good Humor, Bad Taste – The Sociology of the Joke, het proefschrift waarop cultuursocioloog Giselinde Kuipers in 2001 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Tien jaar later – ze is net benoemd tot buitengewoon hoogleraar in Rotterdam – denkt ze er nog net zo over: “Bij het schrijven van mijn dissertatie was dat dé verrassing: hoe enorm groot de klassen- en milieuverschillen zijn in Nederland. En die komen tot uiting in heel andere opvattingen over wat grappig is.”

In die tien jaar deed Kuipers veel vergelijkend onderzoek: naar humor in Nederland en de Verenigde Staten; naar de ontvangst van Amerikaanse tv-programma’s in Nederland, Polen, Italië en Frankrijk; naar kunstverslaggeving in Nederland, Frankrijk en Duitsland; en sinds kort naar schoonheidsidealen in Nederland, Frankrijk, Italië, Polen, Groot-Brittannië en Turkije. Ze kwam tot de conclusie dat cultuurverschillen tegenwoordig groter zijn binnen dan tussen westerse landen. Dat komt niet zozeer door immigratiestromen, zoals je zou verwachten, maar vooral door verwijdering tussen hoger- en lageropgeleiden.

VERZWAKKING

In haar intreerede aan de Erasmus Universiteit (afgedrukt in het jongste nummer van het tijdschrift Sociologie) verbindt Kuipers deze verwijdering met verzwakking van de natiestaat. Dat was vanouds het kader waarbinnen sociale lagen zich aanpasten aan elkaar en waarin stijlen en standaarden werden doorgegeven. Gevolg: een steeds grotere culturele afstand tussen een kosmopolitische elite en een maatschappelijke onderkant die zich vastklampt aan nationale symbolen en rituelen.

DIPLOMADEMOCRATIE

Daarmee voegt Kuipers een element toe aan het lopende debat over sociale schifting en politieke polarisatie in Nederland. De bestuurskundige Mark Bovens begon over de ‘diplomademocratie’: politieke partijen verliezen hun functie van bindmiddel tussen sociale lagen door de dominantie van hoger opgeleiden in de partijorganisaties. De cultuursociologen Dick Houtman en Peter Achterberg lieten zien dat bij het stemgedrag niet langer baan of inkomen (klasse) de doorslag geven, maar ‘cultureel kapitaal’ (opleiding). En in zijn jongste tweejaarlijkse rapport over de toestand van Nederland constateerde het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) dat de sociale stijging (kinderen brengen het verder dan hun ouders) stagneert en dat het ‘meritocratisch’ denken oprukt: als je niet scoort op school, ligt dat niet aan afkomst of omgeving, maar aan jou.

Humor, het terrein waarop Kuipers pionierswerk verrichtte, illustreert de centrale stelling van haar oratie. Ooit waren de oudejaarsconferences van Wim Kan nationale rituelen. Lachen om Kan versterkte het nationale wij-gevoel. Kuipers: “Er is nu niemand meer die dit kan. Het culturele landschap is uiteengevallen in specifieke publieken en dat geldt ook voor het cabaret. Er zijn geen komieken of cabaretiers meer die iedereen leuk vindt. Paul de Leeuw was de laatste die nog een beetje in de buurt kwam van de milieugrenzen overstijgende grappenmaker. Die was zowel van de gewone mensen, van de VARA, als van hier.” Ze wijst naar de gracht, in het centrum van Amsterdam. „Niet iedereen vond hem leuk; onder lager opgeleiden waren meer mensen die hem een beetje kwetsend vonden. Toch oversteeg hij grenzen door een combinatie van gezelligheid, gekoketteer met populaire cultuur en sentimentaliteit aan de ene kant en scherpte en avant-gardisme aan de andere kant. Maar dat was vijftien jaar geleden; dat bindende is hij intussen kwijt. Sindsdien is er eigenlijk niemand meer die dat gelukt is.”

Kuipers verklaart deze fragmentatie uit wat zij noemt ‘stagnerende verticale cultuuroverdracht binnen de natiestaat’: “Ondanks de verzuiling van vroeger komt Nederland zo dicht als een land maar zijn kan bij het idee van een natiestaat: een staatkundige en culturele eenheid met één, nationale, identiteit. De grenzen zijn stabiel gebleven, er is politieke continuïteit en er zijn redelijk stabiele elites. Bovendien is Nederland, met Denemarken, Portugal, niet-Schots Engeland en Frankrijk, één van de meest homogene landen van Europa. We kennen, vergeleken met buurlanden, een redelijk gemeenschapsgevoel en zwakke regionale en klassentegenstellingen. Nog altijd.

“Nederland kende vanouds ook een tamelijk consistente verticale overdracht van stijlen, smaken en standaarden via het onderwijs, de politiek en de media. Er was afstemming tussen de toppen van de zuilen en die gaven een redelijk gecentraliseerde boodschap af die systematisch naar beneden werd overgedragen. In de lagere regionen van de zuilen werden de verschillen, tussen katholieken, protestanten van verschillende richtingen en socialisten, weliswaar aangezet, maar de overeenkomsten bleven opvallend groot. Daarin verschilde Nederland van landen als Duitsland en België.”

Sinds de jaren zestig, zegt Kuipers, is er niet langer één Nederlandse elite die het lukt deze overdracht te monopoliseren. “De cohesie tussen de elites is afgenomen en de overdracht naar beneden is misgegaan. De verschillende bovenlagen namen een stijl aan die niet te verenigen was met verticale overdracht. Zij schrokken terug voor de oude idee van ‘verheffing’. Dat werd voortaan gezien als een vorm van machtsuitoefening, en dat was fout. De opkomst van een egalitair ethos – gewoon doen, jezelf zijn – was een beweging van bovenaf. Niemand is beter dan een ander, je moet je niet laten vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Je weet zelf het beste wat goed voor je is. Dat zie je ook in het onderwijs. Jij weet zelf het beste wat je moet leren. En dat ethos is heel slecht te rijmen met andere mensen vertellen hoe ze moeten leven.”

Dat de maatschappelijke onderkant nu ook veel minder boodschap heeft aan de elite, komt omdat dit egalitaire ethos is doorgegeven, zegt Kuipers. “De paradox is dat het wel van boven naar beneden is overgedragen, maar de machtsverhoudingen heeft uitgehold. De opkomst van het egalitaire ethos heeft te maken met de enorme golf van sociale stijging in de jaren zestig en zeventig. Dat die nu stagneert, komt voor een deel doordat sociaal mobiele mensen dat nieuwe ethos niet zomaar aanleren. Het ziet er heel losjes uit, maar je moet het wel precies goed doen. Je kunt het met dat losse, spontane nog veel tenenkrommender fout doen, omdat het heel moeilijk aan te leren is. Gewone, strakke regels kun je leren: je moet je op die en die plekken zo en zo gedragen en dan is het in orde. ‘Gewoon zijn’ als manier van doen is een nieuwe, versluierde vorm van ongelijkheid, een elitemiddel dat niet laat zien hoezeer het uitsluit.”

VERSPREIDING

Die stagnerende verticale spreiding heeft ook gevolgen voor het gezag van nationale instellingen, zoals de politiek, de politie, de rechterlijke macht. “Het laatste principe dat zich via verticale spreiding een weg door de samenleving heeft gebaand is zelfrespect. Wie ben jij om mij te vertellen wat ik moet doen? Daarmee is gezag niet meer vanzelfsprekend legitiem. Dat is voor instellingen een probleem, maar ze zijn wel mede verantwoordelijk voor de overdracht. Zij zijn ook meegegaan in de twijfel over hun eigen legitimiteit. Politie die gezellig wil doen, docenten en dokters idem dito. Die informalisering heeft binnen de instellingen ontkenning, wegmoffelen van autoriteit in de hand gewerkt. Dat is ingewikkeld, want het gezag verdwijnt er niet door. De politie kan je nog steeds oppakken, de rechter kan je nog steeds veroordelen, de dokter kan je nog steeds beter maken, de docent is nog steeds degene die het cijfer geeft. Uiteindelijk gaat men toch op zijn strepen staan. Het is een heel inconsistente boodschap: gezag dat niet wil weten dat het gezag is.”

De afgelopen tien jaar had Nederland het wel voortdurend over cohesie, maar steeds in het kader van integratie van nieuwkomers. “Blijkbaar hebben we niet beseft hoe riskant die groeiende kloof tussen hoger- en lageropgeleiden van eigen bodem is. We dachten dat het wel mee zou vallen; we zijn tenslotte allemaal Nederlanders, dat moest wel lukken. Tijdens het werk aan mijn proefschrift besefte ik pas dat er over zoiets fundamenteel menselijks als humor heel grote verschillen bestonden.

“Het is echt heel moeilijk om als linkse, stadse hogeropgeleide, zoals ik, grapjes te delen met lageropgeleiden. Ik kwam die mensen tijdens mijn onderzoek voor het eerst tegen en het was verrassend hoe anders zij tegen de wereld aankeken. De paar sociale stijgers die ik tegenkwam, vertelden over grote vervreemding. Zij hadden nieuw sociaal gedrag overgenomen, maar voelden zich heel ongelukkig op verjaardagsfeestjes. Die zeiden: ik snap niet dat het allemaal zo steriel moet bij die hoger opgeleiden. Je mag een grap vertellen, maar je mag er niet om lachen, hoogstens een beetje glimlachen. En het mag nooit echt leuk zijn; wat is er nou mis met André van Duin? Het klinkt klein, maar het is heel fundamenteel. Als je niet met elkaar kunt lachen, is er echt een heel serieus probleem.”

PORTIERS

Standsverschillen zijn er altijd geweest, alleen komt men elkaar nu bijna niet meer tegen. “Ik denk vooral aan de werkvloer. Werkplekken worden steeds meer bevolkt door mensen met dezelfde sociale achtergrond. Vroeger had je in ieder kantoor, ook aan de universiteit, mensen met verschillende beroepen die elkaar dagelijks tegenkwamen: docenten, secretaresses, portiers, koffiejuffrouwen. Het contact ging vanzelf, was iets alledaags. Die mensen zijn verdwenen uit onze omgeving. We werken allemaal met computers, dus secretaresses zijn niet meer nodig. En koffie halen doe je zelf.

“Het gebeurt niet bewust, het is geen plan en het is ook geen pure arrogantie. Mensen mijden elkaar niet, maar ze komen elkaar domweg niet tegen, en daarom hebben we het ook zo lang niet gemerkt. Het is sowieso veel makkelijker om te gaan met mensen die hetzelfde zijn, en als er geen mechanismen zijn die hier tegenin werken, is dat wat mensen doen. Het hangt ook samen met de groeiende voorkeur voor zelfgekozen sociale netwerken boven familie. Familie is bij uitstek de plek waar je mensen tegenkomt die in verschillende werelden leven. En dat wordt minder belangrijk. Juist als het contact ongemakkelijk is, laat je het verwateren.”

AMUSEMENT

“Wat dit verontrustend maakt, is dat we anderen tegenwoordig wel kunnen zien, maar dan in de opgeklopte, soms opgeleukte mediavarianten, zoals Oh Oh Cherso. nrc.next-columniste Renske de Greef schreef dat ze het zo’n interessante antropologische ervaring vindt om die mensen nu eens te zien. Die stadse, hoogopgeleide twintigers kijken naar deze jongens en meiden en denken: goh, zó zijn ze dus, dat dát bij mij in de stad woont. Het wordt uitvergroot, want dan pas wordt het amusement. En je ziet het, maar je doet niks terug. Het is eenrichtingsverkeer, je kunt je niet over en weer aanpassen. Toen ik met die moppentappers in de kroeg zat, dacht ik eerst: wat doe ik hier? Maar als je een praatje maakt, valt het best mee. En dat moment komt er nooit bij Oh, oh Cherso.”

Er zijn ook tegengestelde tendensen. In haar oratie noemde Kuipers allerlei varianten van populaire cultuur die kunnen werken als nieuwe, egalitaire vormen van binding. “Neem sport. Ik hou daar zelf helemaal niet van, maar sportevenementen zijn momenten waarop de schifting even stopt. Samen genieten van het WK helpt, dat is echt een moment van menging. En populaire cultuur kan mensen uit verschillende groepen samenbinden. Bezoekers van popfestivals bijvoorbeeld. De NOS maakte ooit een serie programma’s over minderheden en humor. Met relativerende grappen over elkaar kun je muren slechten. Zo kan stand-up comedy heel bruikbaar zijn om, bijvoorbeeld, autochtonen en allochtonen bij elkaar te brengen zonder politiek correct te doen.

“Populaire cultuur en humor kunnen dus grenzen overschrijden, maar alledaagse menging blijft het allermoeilijkst – en dat kan niet via media alleen.”