Onbekommerde tiener heeft altijd plezier

Vandaag begint de 73ste editie van het schaaktoernooi in Wijk aan Zee. In de hoofdgroep is Anish Giri (16) de jongste Nederlandse debutant ooit. „Ik wil alleen maar goed spelen.”

Als schaken een zwaarwichtige aangelegenheid is die om lange ernstige blikken vraagt, dan lijkt Anish Giri er groot plezier in te scheppen om het tegendeel te bewijzen. Tot vlak voor het begin van de partij doet de jongste grootmeester van Nederland niets liever dan een beetje geinen met bevriende schakers. Gevat zijn is het motto en in rap tempo proberen ze elkaar verbaal de loef af te steken. Pas als de klok wordt ingedrukt, verzinkt hij in diepe concentratie. Die trance wordt weer verbroken aan het slot van de partij, of al eerder als hij zeker weet dat hij gaat winnen. Dan wil hij zijn tegenstander nog wel eens trakteren op een schijnbaar verbaasde blik of hoog opgetrokken wenkbrauwen. Is de partij afgelopen, dan is Giri weer de onbekommerde scholier die overal plezier in lijkt te hebben. Zelfs die enkele keer dat hij verliest. Dat is een bewuste keuze.

„Ik probeer altijd een goed humeur te hebben, wat er ook gebeurt”, vertelt hij in zijn ouderlijk huis in Rijswijk. „Wanneer ik win ben ik meestal opgewekt, maar wanneer ik verlies vind ik dat ik ook opgewekt moet zijn. Omdat ik anders pas echt een slecht humeur krijg en dat is nergens goed voor. Je hebt je eigen stemming en wat je andere mensen laat zien. Als je je van binnen slecht voelt, maar je laat aan de buitenkant een vrolijk iemand zien, voel je jezelf ook al beter.”

Dollen doet hij het liefst met leeftijdsgenoten of met Loek van Wely, zijn belangrijkste rivaal in Nederland. Maar hij is nu ook beste maatjes met wereldkampioen Vishy Anand. Enkele weken geleden zagen ze elkaar nog op het Max Euweplein in Amsterdam waar de Indiër een lezing en een simultaan gaf. Anand kwam uit Londen, waar hij in een partij tegen de Noorse topspeler Magnus Carlsen eerst een flinke fout had gemaakt en daarna toch nog fraai had gewonnen. Op die fout wilde Giri nog wel even terugkomen: „Toen ik die zet zag, kon ik mijn ogen niet geloven! Wat is dit, dacht ik.” Anand hoorde het glimlachend aan en legde uit dat hij even iets vergeten had. Toen Giri weer zijn ongeloof benadrukte, werd hem vriendelijk verteld: „Ik spreek je nog wel wanneer jij 41 bent.”

Vorig jaar in Wijk aan Zee zag Giri Anand voor het eerst in levende lijve. De verrassing was enorm toen de wereldkampioen enkele maanden later contact met hem zocht. Hij zat in een trainingskamp voor zijn WK-match tegen Topalov en nodigde Giri uit enkele dagen langs te komen. Een droom voor een jonge schaker. „Je kunt je geen betere training wensen. Zijn secondanten gaf hij stellingen die ze moesten onderzoeken en daar moesten ze dan verslag over uitbrengen. Maar met mij wilde hij zijn openingen uitproberen in snelschaakpartijen. Na afloop analyseerden we die opening en de rest van de partij. Dat was fantastisch, ik heb alles in mijn computer opgeslagen.”

In de eerste partijtjes die zij speelden was Giri te veel onder de indruk. Pas toen hij de schroom van zich afwierp begon hij remises te verzamelen die voelden als overwinningen. Hij wist zelfs twee keer echt te winnen. „Ik had nog nooit tegen iemand gespeeld die zo sterk is en was verrast hoe je dat merkte. Natuurlijk kan hij in een scherpe stelling een bijzondere zet vinden, maar ik merkte het pas echt als er niks aan de hand leek. Dan dacht ik dat het remise was of zelfs wat druk had, en twee zetten later stond ik met mijn rug tegen de muur. Al die zetten voerde hij op dezelfde manier uit, zonder enig theater, zoals we dat kennen van Kasparov. Het ging alleen om de zetten.”

Dat Anand ook tevreden geweest moet zijn over de samenwerking, bleek toen hem in Londen werd gevraagd wat hij van Giri verwachtte. „Carlsen was bijzonder, dat zag je toen hij dertien was, maar als je kijkt naar de resultaten van Anish en zijn zelfvertrouwen, lijkt het hem aan niets te ontbreken. Hij moet zich ontwikkelen, maar hij heeft de bagage.”

Geconfronteerd met die uitspraak is Giri even stil. Hij zegt dat hij Anands compliment zeer waardeert, maar plaatst een kanttekening bij de vergelijking met de vier jaar oudere Carlsen. „Dat doet iedereen nu en ik zag op internet zelfs al grafieken waarin onze progressie vergeleken werd. Maar iemand kan tot zijn veertiende net zo snel als Carlsen gaan en dan is het ineens op. Of iemand blijft zich verbeteren tot zijn dertigste. Mijn ontwikkeling verliep heel vreemd. Eerst was het niets bijzonders, toen ik in Japan woonde schaakte ik zelfs bijna niet, en daarna ging het heel snel.”

Giri verschilt in zoverre van Carlsen dat hij geen plannen heeft van school te gaan en prof te worden. De klas voorsprong die hij in Rusland had, is door de verhuizing naar Nederland een klas achterstand geworden (zie inzet). Pas na zijn eindexamen besluit hij te gaan studeren, wat hem het meest aannemelijke lijkt, of niet. Voorlopig trekt het professionalisme hem niet. „In schoolvakanties ben ik soms twee weken thuis. Dan werk ik aan schaken en tussendoor ga ik sporten. Toch begin ik me dan al snel beroerd te voelen. Terwijl als ik een zware week op school heb en daarna een Bundesliga-weekend, ik enorm gemotiveerd ben om te schaken. Het is belangrijk dat er nog iets anders is in het leven.”

Twee jaar geleden kwam Giri met zijn ouders en twee zusjes naar Nederland, omdat zijn vader, een waterbouwkundig ingenieur, ging werken in Delft. Op school spreekt Giri voornamelijk Nederlands, gaat het over schaken dan geeft hij de voorkeur aan Engels. Denken doet hij nog steeds het meest in het Russisch, hoewel hij zichzelf erop betrapt dat hij als hij in het buitenland speelt regelmatig in het Engels denkt. Hoe Nederlands hij zich voelt vindt hij een moeilijke vraag. Het is iets waar hij zich nooit mee bezighoudt. Wel is hij er trots op dat hij voor Nederland mocht uitkomen op de Olympiade. Dat hij sinds kort ook de beste Nederlander is op de wereldranglijst, probeert hij bescheiden te relativeren.

„Ik sta nu een stuk hoger dan Loek van Wely maar toen ik laatst in het Remco Heite-toernooi tegen hem speelde, versloeg hij me. Hij is nog steeds een sterke speler en je kunt niet zeggen dat ik beter ben. Of dat ik beter ben dan Jan Smeets of Erwin l’Ami. Wel kun je zeggen dat mijn recente resultaten beter zijn.”

Die bescheidenheid is voor een belangrijk deel terug te voeren op de nuchtere opvoeding die zijn ouders hem geven. En het boek waarmee hij ooit leerde schaken speelde een rol. „Ik kreeg het voor mijn zesde verjaardag van een vriend van mijn vader. Het heette Hoe word ik een gentleman? Op de cover stond een jongen gekleed als gentleman. Je kon het van twee kanten lezen. De ene helft was voor kinderen, de andere, die voor mij gesloten bleef, voor tieners. In mijn helft stonden hoofdstukken over koken en gezelschapsspelen en er was een vrij goed hoofdstuk over schaken. De regels, maar ook bepaalde openingen en valletjes, waarvan ik er later nog een in een toernooi kon gebruiken. Mijn moeder had al geprobeerd me schaken te leren, maar ik leerde het pas echt met dit boek.”

Hoe razendsnel hij de afgelopen twee jaar is opgeklommen in de internationale hiërarchie, blijkt uit het feit dat Giri van de dertien tegenstanders in het Tata-toernooi in Wijk aan Zee er pas drie eerder trof. Alleen tegen Smeets, l’Ami en de jonge Fransman Vachier-Lagrave speelde hij al eens. De overige spelers, louter wereldtoppers, zijn allemaal nieuw voor hem. Hij is vooral benieuwd naar Vladimir Kramnik. „Carlsen is natuurlijk ook spannend, maar die verliest af en toe ook van zwakkere spelers. Kramnik maakt je banger. Hij torst zoveel ervaring mee, dat is een monument.”

Hij kijkt uit naar zijn eerste echte partij tegen Anand. Van hem weet hij welke openingen hij speelt. Maar of hij daar nu iets aan heeft? Voor alle zekerheid heeft hij zich voorgenomen om ook opgewekt te blijven als hij meer dan één partij verliest. Twee? „Nee, tien!”, roept hij lachend. Hij praat liever niet over zijn verwachtingen. „Ik vind het vervelend als mijn resultaat lager is dan wat ik verwachtte. Ik wil alleen maar goed spelen. Wat er zal gebeuren weet niemand.”

Dat hij het merendeel van de deelnemers niet eerder aan het bord trof heeft trouwens ook een positieve kant. „We hebben geen geschiedenis. Niemand van hen heeft ooit van me gewonnen.”