O, waren babyboomers graaiers?

Starters die geen huis kunnen kopen? Daar weet de babyboomgeneratie alles van. Er was woningnood. Geen buitenlandse reisjes, geen geld, geen terrasjes en weinig studiemogelijkheid. Je woonde in bij je ouders. Nu worden de pensioenen gekort. Het klimaat rond ouderdom moet milder.

Journalist en columnist. Zij schreef een aantal boeken op het gebied van gezinsvorming, kinderopvoeding, gezondheidszorg en emancipatie. Haar meest recente boek is ‘Tussen de generaties, de nieuwe grootouders’.

Babyboomers liggen onder vuur. Regelmatig wordt deze generatie, waartoe ook ik (66) mijzelf reken, blootgesteld aan scherpe kritiek. In de politiek, in de media, op internet: ‘Babyboomer kom uit je luie stoel’ of ‘Babyboomers gaan er met de buit vandoor, jongeren blijven bekaaid achter’.

Wij worden neergezet als vergrijzende graaiers, die zonder enige gêne potverteren, met maar één gebod: gij zult genieten. Als we daartoe niet meer in staat zijn, ontwrichten we de samenleving door oud te worden. De zorgkosten stijgen tot ongekende hoogte. Ondertussen gaan wij welgemoed door met het innen van hoge pensioenen, wat ten koste gaat van de oudedagsvoorzieningen van jongeren.

Ook Jan Auke Walburg versterkt het beeld van deze naoorlogse vreugdekindjes (Opinie & Debat, 8 januari). Volgens hem hebben zij „hun weerzin tegen de macht aardig overwonnen met het bezetten van belangrijke posities in bedrijfsleven, wetenschap en gezondheidszorg. Hun aanvankelijke kritiek op de consumptiemaatschappij verstomde al snel toen zij zich ontwikkelden tot geroutineerde en kritische consumenten voor wie het beste van wat er in de wereld beschikbaar is aan goederen en ervaringen binnen bereik kwam.”

Ook meent hij dat het maar eens uit moet zijn met de verwerpelijke aandrang die wij zouden voelen om de pensioenperiode als één grote vakantie te zien. We moeten onze vrijheid ten dienste stellen aan anderen, vanuit een dienend perspectief, is zijn suggestie.

Walburg heeft een punt als hij zegt dat werkgevers het aantrekkelijker moeten maken om langer door te werken, maar de realiteit is dat de meeste werkgevers zich vooral inspannen om die ‘dure’ ouderen te verruilen voor jongeren. Daardoor komt het dat vijftigers meestal nergens aan de slag komen.

Zijn conclusie dat babyboomers banen hadden waarin zij niet of nauwelijks moe werden, getuigt echter van weinig realisme. Zo hebben artsen van die generatie jarenlang minstens 60-urige werkweken gehad met nachtdiensten zonder compensatie. Zelf moest ik als journaliste nog op zaterdagochtend om zeven uur op mijn werk verschijnen, al was de vrije zaterdag toen al een feit. Daar was geen compensatie voor, niet in geld en niet in tijd.

Veel babyboomers zijn bovendien op jonge leeftijd – tussen de 15 en 18 jaar – begonnen met werken, na de huishoud- of ambachtschool, de (m)ulo of hun eindexamen middelbare school. Van de studiemogelijkheden zoals die nu bestaan, was nog geen sprake. De universiteit was slechts voor een kleine maatschappelijke bovenlaag weggelegd.

Geen generatie heeft bovendien zoveel veranderingen in de werksfeer meegemaakt als de onze. Ik ontmoet dan ook regelmatig leeftijdsgenoten die bekennen dat zij gedurende hun loopbaan moe, zelfs murw zijn geworden van steeds wisselende managementmissiven, fusies, bureaucratie en digitalisering, de voortdurende noodzaak tot bijscholing. Geen wonder dat ze het pensioen als een grote opluchting ervaren.

Gemiddeld genomen zouden de babyboomers het altijd goed gehad hebben, meent Walburg. Een constatering die alleen voor de tweede helft van ons leven opgaat. Onze jeugd was uitermate karig. Ouders hadden een mantra die luidde: ‘Het geld groeit mij niet op de rug’. Daarna kwam er eind jaren vijftig wel wat meer welvaart maar ‘zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen’ zoals de overheid ons voorhield.

De drang naar ongebreidelde consumptie die Walburg noemt, herken ik niet. De bestedingspatronen en de mogelijkheden die de generaties na ons als hun geboorterecht ervaren, zouden zorgen moeten baren. In vergelijking daarmee hebben wij het tientallen jaren aanzienlijk slechter gehad. Kamers met petroleumkacheltjes toen wij studeerden; geen geld voor uitgaan, buitenhuis eten, op terrasjes zitten, geen buitenlandse reizen en en/of stages, niet shoppen. Wij hadden dan ook geen consumptieve schulden, zoals talloze studenten nu. Direct na je afstuderen wachtte ons volwassen verantwoordelijkheid tegen een laag salaris. Er werd vroeg getrouwd, doorgaans tussen de 20 en 25 jaar. Samenwonen werd niet geaccepteerd.

Starters die geen huis kunnen kopen? Daar weet mijn generatie alles van. Tot de jaren zestig, begin jaren zeventig, was er woningnood. Kopen was geen optie, gezien de lage inkomens, maar huren was ook bijna onmogelijk. Velen zijn gestart met inwoning, zelf begon ik mijn huwelijk op een zolderverdieping. Daarna kwam er een driekamerflatje. In de vrije vestiging: de huur was eenderde van ons inkomen. Gelukkig werkte ik ook, daardoor konden we een wasmachine kopen toen er een baby kwam. Iedere gulden werd drie keer omgedraaid.

Een eigen auto was tot de tweede helft jaren zestig nog zeer uitzonderlijk. Inderdaad ontvingen wij in de loop van onze leven steeds meer salaris. Zo rond de veertig, vijfenveertig jaar oud konden we ‘een greep naar de macht doen’, zoals Walbrug dat noemt. Hoezo macht? Wat is er verkeerd aan het verkrijgen van een belangrijke positie in het bedrijfsleven, wetenschap en gezondheidszorg in een bepaalde fase van je leven als je beschikt over ervaring en eigenschappen? Die vacatures daar moesten toch worden opgevuld? .

Walburg stelt de babyboomers verantwoordelijk voor de grote maatschappelijke crises. Maar dat niet alleen, we zouden volgens hem ook de huidige ecologische crises veroorzaakt hebben door ‘ons grenzeloze consumptiepatroon’. Dat patroon herken ik wel, maar in het algemeen vooral bij de ‘pragmatische generatie’, de dertigers en jonge veertigers. Een aanzienlijk deel van hen leeft vanuit het motto: ik wil het hebben, en wel nu. Als er één generatie een enorme schuldenlast heeft, dan zij zijn het. Ze kopen huizen waaruit ze soms de nog nieuwe badkamer of keuken uit slopen omdat het design hun niet aanstaat. De overvloed aan spullen in hun huizen: inrichting, kleding, speelgoed, hebbedingetjes is overweldigend. Stedentrips? Daar weten ze alles van. Ze maken ze met hun jaarclub, hun vrienden, gaan een of twee keer per jaar skiën, vliegen de halve aarde rond. Natuurlijk zijn er uitzonderingen maar de hedonistische leefstijl van de generaties na ons is ongekend en maakt ze uiterst kwetsbaar voor financiële tegenslagen.

Wij hebben als generatie andere tijden gekend, kunnen nog terug, zijn niet van jongs af gewend aan die enorme welvaart en directe behoeftebevrediging. In gesprekken met leeftijdgenoten wordt duidelijk dat sommigen juist de crisis als een kans zien om het primaat van de economie terug te dringen, in een rustiger vaarwater terecht te komen, meer tijd te hebben voor de wezenlijke dingen van het leven. Maar kunnen jongere generaties die stap terug maken? Wie saneert hun schuldenlast?

Dat alle babyboomers op de barricade hebben gestaan en grootste idealen hebben gekoesterd, maakt ook deel uit van de mythevorming rond deze generatie. Het tegendeel is waar. Een voorhoede van jonge kunstenaars, studenten en intellectuelen ontwikkelde zich in de eerste helft van de jaren zestig als een protestgeneratie. Hun leeftijdsgenoten stonden erbij en keken ernaar. De meesten is de essentie van dat protest – een verschijnsel als Provo uitgezonderd – aanvankelijk ontgaan. Het was vooral een Amsterdamse aangelegenheid.

De tijd was er overigens rijp voor. De sociaal-economische omstandigheden verbeterden in de jaren zestig aanzienlijk en de verzuilde standenmaatschappij die Nederland was, begon scheuren te vertonen. Plotseling bleek dat wie voor een dubbeltje geboren was, toch een kwartje kon worden. Kinderen uit middenstandgezinnen en lagere milieus konden – voor het eerst in hun familie – middelbaar en universitair onderwijs volgen. Uitstel van volwassen verantwoordelijkheid werd daardoor mogelijk. Zo kwam er tijd en energie beschikbaar om de opstand tegen ‘de autoriteiten’ te organiseren met acties en demonstraties. Onder het motto ‘alles moet anders’. Los van de naïviteit, het fanatisme en het egocentrisme die het protest en acties uit die tijd ook kenmerken, zijn bepaalde verworvenheden ook werkelijk bevrijdend geweest. Daarom zijn ze ook zo massaal door de babyboomgeneratie opgepakt, al heeft dat proces nog jaren geduurd. We danken er onze individuele vrijheid en zelfontplooiing aan, de gelijke behandeling van vrouwen, andere relatievormen dan alleen het huwelijk, en andere seksuele voorkeuren.

Ja, we leven inderdaad langer zonder lichamelijke beperkingen, zoals Walburg terecht concludeert. Maar opmerkelijk genoeg neemt het aantal jaren zonder chronische ziekten juist af. Vrouwen hebben nu een levensverwachting van 82 jaar, mannen van 78 jaar. Dat zijn gemiddelden. Hoogopgeleide mensen leven bijna 7 jaar langer dan laagopgeleiden. Ook leven zij langer in goede gezondheid.

Maar ook de hoogopgeleiden blijven niet for ever young. Hun gezondheid zal langzaam maar zeker minder worden, evenals hun geestkracht en energie. Dus is het zaak de pensioenperiode in vrijheid te genieten zolang dat kan.

Die vrijheid wordt overigens voortdurend belaagd. Niemand heeft kunnen voorzien dat wij ten slotte zouden eindigen als een sandwichgeneratie, ingeklemd tussen hoogbejaarde ouders en onze (jong) volwassen kinderen. Nooit eerder bleef een generatie zo lang kind van zijn ouders en ouders van zijn kinderen. Moeilijke kinderen coachen, zoals Walburg voorstelt? De nieuwe grootvaders coachen liever hun eigen kleinkinderen. Daar is ook veel behoefte aan in de gezinnen van hun kinderen, drukke anderhalfverdieners. De nieuwe grootouders willen weliswaar graag doorgaan met een eigen leven, maar functioneren niettemin regelmatig als een op afroep beschikbare uitzendkracht in dienst van twee generaties. Onze hoogbejaarde ouders die hulp nodig hebben, onze kinderen die ook een beroep op ons doen. Dat leidt in de praktijk tot het verschijnsel dat je de ene dag achter de buggy loopt met je kleinzoon er in en een paar dagen later de rolstoel duwt van je moeder.

Wij hadden met dertig jaar een voltooid gezin maar tegenwoordig begin je pas rond die leeftijd aan het ouderschap. Duurzame setteling, met een vaste baan en partner wordt – in vergelijking met vroeger - zo’n acht à tien jaar uitgesteld. Het gemis van zo’n verlengde jeugd in grote welvaart, met allerlei kansen en mogelijkheden, verleidt babyboomers tot een inhaalmanoeuvre waarin vriendschappen, reizen en hobby’s alsnog een kans krijgen. Een verlangen dat volstrekt legitiem is.

Daarnaast doen de meeste leeftijdsgenoten om mij heen al wat Walburg adviseert: namelijk vrijwilligerswerk. Terecht willen zij zich niet al te zeer vastleggen. Tegen de zestig begint je toekomst al verleden tijd te worden en dringt het inzicht dat het kort dag wordt. Die trektocht door Amerika met een camper die je je hele leven al heb willen maken, moet dus eindelijk eens geboekt worden. Die cursus kunstgeschiedenis, filosofie of golfen kan ook niet meer wachten. Time is on my side, is vooralsnog het devies. Maar over dat alles ligt wel de schaduw van de wetenschap dat we op weg zijn naar het einde. Er komt een moment waarop we niet meer zo vitaal, dynamisch en ondernemend kunnen zijn.

Als de tijd voor de luie stoel echt is aangebroken zullen onze pensioenen hoogst waarschijnlijk verder zijn gekort, de AOW boven een bepaald inkomen niet meer worden uitgekeerd en de AWBZ uitsluitend gereserveerd voor financieel minder draagkrachtige ouderen. We zullen de vaak bekritiseerde overwaarde van ons huis en ons spaargeld dus hard nodig hebben om ons in te kopen in een verzorgingsappartement met allerlei voorzieningen die het hoogbejaarde leven draaglijk maken.

Of dat in Nederland moet zijn, is voor een groeiend aantal babyboomers de grote vraag. Sommigen zijn al vertrokken naar Spanje, Italië, Frankrijk. Landen die Nederland zijn voorgegaan in het demografische vergrijzingproces maar waar dit gegeven nauwelijks tot opgewonden politieke discussies, laat staan tot openbare stigmatisering heeft geleid. Ouderdom wordt daar omringd met respect. Een onbekommerd, comfortabel plaatsje onder de zon, word je van harte gegund. Van dat milde maatschappelijke klimaat rondom de ouderdom kunnen we in ons land nog wat leren.