Nog meer stijgstappen

Karel Knip

Veertig lezers zijn te hulp geschoten bij het oplossen van het probleem dat hier vorige week ter sprake kwam. De zaak is nu opgehelderd.

Vorige week stond hier een foto die Ton Bos uit Gouda op 27 december op het Noorderstrand van Scheveningen had gemaakt. Hij toonde de voetafdrukken van twee mensen die van een duinovergang over het strand naar zee waren gelopen. (Wie goed keek, schreef een lezer, zag er ook de afdrukken van hondepoten tussen. Zie de site vroegevogels.vara.nl, zoek met ‘voetstappen’.) Het wonderlijke was dat de voetafdrukken niet in het zand maar op het zand stonden. Ze staken er een paar centimeter boven uit. De vraag was: wat was hier gebeurd. Minnaert heeft er in zijn ‘De natuurkunde van ’t vrije veld’ nooit over geschreven.

Het staat wel vast dat het verschijnsel te maken moet hebben met sneeuw en ijs. Tussen 18 en 23 december onderging het Scheveningse strand aanhoudende vorst, tussen 23 en 26 december was er ’s nachts vorst en overdag dooi en op 26 december trad definitief de dooi in. Op 21 december had het bovendien aardig gesneeuwd, na 23 december is de sneeuw geleidelijk verdwenen.

De verklaring die van AW-wege werd gegeven was complex en ging er vanuit dat de sporen heel vers varen. Misschien, werd betoogd, was het betreffende strandgebied van water verzadigd geweest door het voorafgaande smelten van de sneeuw. De druk van de stappen had een ‘dilatantie’ à la Osborne Reynolds opgewekt (waarbij zand tijdelijk extra water opneemt) en daarna was wèl het zand onder de voetstappen bevroren, maar niet het strand er omheen. Al opvriezend waren de voetstappen omhoog gekomen. Tegelijk hadden de bevroren stappen meer weerstand geboden aan erosie door wind, regen of zeewater.

’t Was maar een idee en aan het eind van deze week moet worden toegegeven: het was geen goed idee. Er staat tegenover dat sommige lezers met nog veel stommere oplossingen kwamen.

Verrassend is dat het verschijnsel helemaal niet zo zeldzaam is. Op de genoemde VARA-site staat opeens een foto van verheven voetstappen die al een jaar oud is. En diverse lezers hebben rond Kerst en Nieuwjaar bij het strand van Scheveningen en Wassenaar (2 januari) soortgelijke voetstappen gezien. Bij Griendtsveen en (1 januari) in het Corversbos bij Hilversum al evenzeer. Het is bovendien, onlangs en lang geleden, op de waddeneilanden waargenomen. In de jaren zestig zag een lezer het op het winterse strand van Bloemendaal. Zeldzaam is het, maar niet heel zeldzaam.

In de sneeuw van de Zwitserse en Oostenrijkse Alpen is het zelfs algemeen. Wie buiten gebaande paden en pistes wandelt of skiet vindt nogal eens oude skisporen en voetstappen die ver boven de omringende sneeuw uitsteken. De foto’s die ervan werden meegestuurd gaven direct de verklaring: de sneeuw was onder voet of ski samengeperst en had daarna meer weerstand geboden tegen de wind. De omliggende sneeuw was weggeblazen, je kon aan de windstrepen zien dat het inderdaad hard gewaaid had.

Dat kan niet de verklaring zijn voor het haut-reliëf van Scheveningen. Maar wat dan wel? Een enkeling stemde in met de AW-verklaring (de voetstap was bevroren), aangevuld met het vermoeden dat regen veel zand had weggeslagen. Een ander dacht dat de voetstappen van schoenen waren gevallen waaraan zich veel zand en sneeuw had vastgezet. Een derde nam aan dat het strandzand inderdaad waterverzadigd was geweest, maar tevens onderkoeld. De impuls van de voetstapstap had spontane ijsvorming op gang gebracht, enzovoort.

De foto die vandaag bij dit stukje staat is in de duinen van Terschelling gemaakt door de Groninger ecoloog Maarten Schrama, dezelfde die vorig jaar de gevorkte regenboog fotografeerde. Deze keer liep hij met de Utrechtse fysisch geograaf Wiebe Nijland over het eiland. Op 1 januari zagen zij deze konijnesporen die als twee druppels water lijken op de Scheveningse sporen. Het was in een stuifkuil en daar spoelt natuurlijk nooit zeewater overheen. Dat een konijntje een zware Reynolds-dilatantie teweeg brengt in zand dat goed gedraineerd is is niet waarschijnlijk. Zo komen we bij de oplossing.

Bij nader inzien bevat de foto van Ton Bos vier of vijf clous die samen de verklaring voor het fenomeen geven. Allereerst de al genoemde afdrukken (opdrukken) van hondepoten, volkomen vergelijkbaar met die van de konijnepoten. Dan: het zandoppervlak rond de voetsporen vertoont een ruwe, rommelige korreligheid die je, om een of andere reden, rubbelig zou willen noemen. De rubbeligheid van Terschelling komt volmaakt overeen met die van Scheveningen. Zonder twijfel is hij door het smelten van de laatste restjes sneeuw achtergelaten. Drie: er was daar in Scheveningen (en ook Terschelling) een stuk zand dat niet rubbelig was. Daar staan ook geen voetstappen op. Vier: in de verte ligt nog een stuk sneeuw waar flink zand overheen is gewaaid. (Een lezer heeft dit ook ter plekke waargenomen: zand op sneeuw). Ten slotte meent een enkele lezer dat sommige voetstappen ‘stuifribbeltjes’ vertonen. We voegen nog toe dat vorige week een essentieel meteorologisch gegeven ongenoemd is gebleven: van 22 tot en met 25 december stond een harde wind langs de kust, met een snelheid van 12 tot 18 m/s.

De rest laat zich raden. De sporen waren dagen eerder dan vermoed aangebracht in sneeuw en de gaten in de sneeuw vulden zich met stuifzand dat de harde wind aanvoerde. Zeven geologen, geografen en geotechnici noemden deze oplossing, en ze waren alle zeven even zeker en even enthousiast. Een niveo-eolische afzetting heet dit, zeiden ze losjes. En die rubbeligheid: ‘denivation forms’.