Nederland, Uruzgan en de Amerikaanse druk

Amerikaanse diplomaten en politici hebben zich in de periode die voorafging aan de val van het vierde kabinet-Balkenende, op 20 februari 2010, verregaand bemoeid met de Nederlandse politiek inzake Afghanistan. Dat is niet verrassend, maar de intensiteit en methodiek verbazen wel. Minstens zo bijzonder is de rol van enkele Nederlandse topambtenaren, die hun Amerikaanse collega’s adviseerden hoe ze toenmalig vicepremier en PvdA-leider Wouter Bos onder druk konden zetten. Het blijkt uit de diplomatieke ambtsberichten van de Amerikaanse ambassade waarover deze krant beschikt.

De Amerikaanse druk op het Nederlandse kabinet in die tijd was voor een deel evident. Vicepresident Joe Biden, minister Hillary Clinton van Buitenlandse Zaken, de speciale Amerikaanse afgezant voor Afghanistan Richard Holbrooke en de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO, Ivo Daalder, zij allen riepen Nederland publiekelijk op om zijn militaire missie in de Afghaanse provincie Uruzgan voort te zetten. Dat was een binnenlands-politiek probleem. Niet alleen omdat het kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie erover verdeeld was, maar ook omdat de Tweede Kamer zich in oktober 2009 met een royale meerderheid en in klare taal via een motie tegen voortzetting van de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan had uitgesproken. Onder meer PvdA, VVD, SP, GroenLinks, PVV en ChristenUnie hadden deze motie gesteund.

De diplomatieke telegrammen bevestigen dat er destijds een koppeling werd gelegd tussen de G20 en Afghanistan. Nederland mocht, in ruil voor voortgezette activiteiten in Afghanistan, aanschuiven bij het overleg van de belangrijkste economieën ter wereld . Een cynische inkijk in de wereld van topdiplomatie en politiek: militaire levens konden blijkbaar ook worden geofferd voor een prestigieuze positie van een land, Nederland, in een orgaan dat zich niet met de oorlog maar met de financiële crisis bezighield.

Maar het waren, blijkens de telegrammen, notabene Nederlandse ambtenaren die hun Amerikaanse sparringpartners adviseerden om op die manier met name Bos, tevens de minister van Financiën, onder druk te zetten. Hij was tenslotte „the nut to crack”. Het is verontrustend dat ambtenaren het blijkbaar tot hun taakopvatting rekenen dat zij buitenlandse diplomaten mogen adviseren op welke manier hun eigen Nederlandse politieke leiders moeten worden gemanipuleerd. De vraag is of hun minister, de CDA’er Verhagen, daarvan wist.

Het is het goed recht van de Amerikanen om te pogen de Nederlandse besluitvorming te beïnvloeden. Zeker bondgenoten moeten dat van elkaar kunnen hebben – en de Verenigde Staten waren en zijn de leidende natie bij de missies in Afghanistan.

Maar die invloed is slechts zo groot als de te beïnvloeden gesprekspartner toelaat. Hoe ver de Amerikaanse inmenging is gegaan, valt niet te beoordelen. Feit is dat de opstelling van een partij als de VVD in die maanden veranderde. Het absolute nee uit die periode tegen voortzetting van de militaire missie in Uruzgan werd vervangen door: er valt met ons over te praten. Maar daarbij kan objectief hebben meegespeeld dat de Verenigde Staten inmiddels een nieuwe president, Barack Obama, hadden die een nieuwe strategie voor Afghanistan verkondigde.

Hoewel de argumenten van de PvdA voor terugtrekking uit Afghanistan juist daarom zwak waren, heeft haar hardnekkigheid wel aangetoond dat de Amerikaanse pressie was te weerstaan. De PvdA boog niet – en het kabinet Balkenende IV viel. Bos bleek een noot die noch voor Nederlandse ambtenaren, noch voor Amerikaanse diplomaten en politici te kraken was.