Lumumba zei steeds dat hij een blanke was

Vijftig jaar geleden werd de eerste premier van Congo, Patrice Lumumba, vermoord. Schrijver David Van Reybrouck reist de schooljongen na die Afrika hoop zou geven. „Patrice haalde een fles whisky uit zijn zak en zei: ‘We moeten onafhankelijk worden’.”

‘Tshumbe?”, blaft de luchthavenbeambte in Kinshasa me toe. Hij draait mijn handgeschreven ticket om en om. „Ligt dat in Congo?” Nog voor ik kan antwoorden, wordt hij geflankeerd door enkele van zijn collega’s. „Ja”, zegt een van hen, „in het Sankuru-district, in Oost-Kasai”. Ik knik voorzichtig. „Ah bon?”, lacht de eerste.

Het is tekenend voor de faam van de regio. De geboortestreek van Patrice Lumumba ligt in het hartje van het immense land, maar je hoort er nooit wat van. Te ver van de dolgedraaide miljoenenstad die Kinshasa heet; te ver van het oorlogsgeweld in Oost-Congo. Hier zijn geen kindsoldaten, groepsverkrachtingen of vluchtelingenkampen – en dus ook geen ngo’s, blauwhelmen of journalisten. Mobutu, de dictator die 32 jaar aan de macht was, verwaarloosde na zijn staatsgreep in 1965 opzettelijk dat nest vol Lumumba-supporters. Sindsdien is de streek al decennia aan zijn lot overgelaten. Los van een heropgebouwd hospitaal in Katako-Kombe is er nog nauwelijks infrastructuur. De staat is er zo goed als verdampt en de ondergrond is te schraal om de belangstelling te wekken van buurlanden, bedrijven of bandieten. Met de auto geraak je er al jaren niet meer. Een keer per week is er een vlucht met een petit-porteur. Congo is vandaag eerder een archipel van eilandjes, elk met hun landingspiste, dan le pays-continent van weleer.

Ik wandel over het asfalt naar een Fokker 50 met schroefmotoren en zie een dozijn passagiers staan, waaronder een bisschop in soutane. Beneden aan de trap kom ik in gesprek met Caroline, een Franstalige Belgische die een kennis gaat opzoeken. Terwijl we plaats nemen in het toestel vertel ik haar dat ik gefascineerd ben door Lumumba. Het lijkt alsof we een halve eeuw later nog steeds enkel in extremen over hem kunnen denken: voor de een was hij een visionaire figuur die heldhaftig zijn volk naar de onafhankelijkheid leidde in 1960, voor de ander een hysterische politicus die zijn land mee in de afgrond stortte. Al in 1990 verzuchtte de nauwgezette Lumumba-biograaf Jean-Claude Willame dat het tijd werd voor een meer genuanceerde beeldvorming: „Oppositieleider was hij beslist. Charismatisch leider: wellicht. Regeringsleider: zeker niet.”

Zijn openbare leven duurde hoop en al vijf jaar, zijn loopbaan als premier slechts twee maanden: juli en augustus 1960. Pas 35 jaar oud, zonder ervaring (het premierschap van een la n nd zo groot als West-Europa was zijn eerste politieke ambt) en als autodidact (hij had niet eens een diploma lager onderwijs op zak) kreeg hij te maken met een van de grootste conflicten van de naoorlogse wereldpolitiek, de Congo Crisis. Lumumba stond in het centrum, kreeg iedereen over zich heen, vaak onterecht, maar gooide vaker zelf olie op het vuur. „Zijn handelen”, schreef de nochtans sympathiserende Willame, „bestond uit een quasi-exponentiële opeenvolging van politieke fouten.”

Op 17 januari 1961 werd hij gruwelijk om het leven gebracht door toedoen van Congolese, Katangese, Amerikaanse en Belgische verantwoordelijken. Die marteldood deed hem uitgroeien tot een icoon van hoop en verlossing voor een onrechtvaardige wereld. Maar wie was de mens achter de mythe? Hoe was hij voorafgaand aan de lichtflits van zijn openbaar leven? Ik wil naar zijn geboortestreek, in de hoop er ouderen te ontmoeten die hem nog gekend hebben.

De schroeven van de Fokker 50 zijn doorzichtige schijven geworden die brullen naar het gras in de berm dat deemoedig buigt. Ik wil de plaatsen bezoeken waar Lumumba als jongeling gewoond heeft: zijn geboortedorp en de drie missieposten waar hij naar school ging. Ergens boven het oerwoud vertelt Caroline dat ze amateurfotografe is en zeeën van tijd heeft de komende dagen. We besluiten samen te reizen. Vijf dagen door het vergeten binnenland van Congo.

Tshumbe

Tshumbe blijkt wel degelijk te bestaan en heet voluit Tshumbe-Sainte-Marie. Het is een katholieke missiepost, in 1910 door de onvermoeibare, Vlaamse congregatie van de missionarissen van Scheut gesticht en in 1935 overgedragen aan de broeders passionisten. Het ligt op een koele heuvelrug. Voor de oude, vervallen kerk strekt zich een vlakte van gras en zand uit waarop vandaag geitjes lopen te mekkeren. Schuin achter de kerk ligt het huis van de passionisten. Er zijn geen Belgen meer, maar helemaal achterin, tussen kippen en slijkeenden, zit frère Jean Opotote in wit habijt de valavond te bestuderen. „Sinds de dag van mijn noviciaat draag ik mijn habijt”, zegt hij net iets te luid. Frère Jean is 87 en hardhorend maar in zijn ogen smeulen de sintels van een verre jeugd. „Zelfs om te gaan jagen! Ik heb op alles gejaagd! In habijt! Ook op een leeuw! Alleen geen olifant, dat plezier heb ik nooit mogen smaken!”

In 1944 was Jean een van de eersten uit Tshumbe die broeder werden. „Ja, Lumumba, die herinner ik me nog. Dat was rond de tijd dat ik mijn geloften deed. Hij was eruit gezet door de protestanten van Wembo-Nyama. Ze waren met zijn drieën, flinke jongens met intellectuele capaciteiten, maar hun mentaliteit stemde niet overeen met die van de directeur. Dus vroegen ze of ze hier hun lagere school mochten afmaken.”

In de Sankuru woedde tijdens de koloniale tijd een hevige strijd om zieltjes. Na de intocht van katholieke missionarissen uit België, kwamen in 1914 Amerikaanse protestanten: methodisten, mannen die vrouw en kroost meenamen en geen gekke gewaden droegen. Wembo-Nyama werd hun standplaats. De katholieken zagen hen niet graag komen: ‘De protestanten of communisten mogen niet als eersten arriveren!’, schreef een van hen vol paniek.

Officieel moest er tussen een protestantse en katholieke missiepost minstens tien kilometer liggen. Tussen Wembo-Nyama en Tshumbe lagen er twintig in vogelvlucht en bijna veertig over de weg. Lumumba groeide er tussenin op: zijn geboortedorp Onalua lag op 33 kilometer van de katholieken en acht kilometer van de protestanten. Dat zorgde voor een fikse familieruzie. Zijn vader was gedoopt als katholiek, in de tijd dat de protestanten er nog niet waren. Maar toen Lumumba kort voor de oorlog naar school ging, wilde hij naar de nieuwe, nabije school van de Amerikanen. Zijn vader was zo kwaad dat hij zijn zoon voor maandenlang verjoeg. Zelden zal een ouder zo verheugd geweest zijn toen zijn zoon vier jaar later van school werd gestuurd.

„Hun onderwijzer hier was mijn collega Damase Wunga”, mijmert frère Jean. „Ik had samen met hem gestudeerd. Hij leeft nog, in Kinshasa, maar is blind nu. Ik weet nog dat hij zei: ‘Ik begrijp waarom ze zijn verjaagd. Ze stellen veel te intelligente vragen.’ Zelf heb ik nooit met Lumumba gesproken, ik zag hem gewoon naar school lopen. Hij was hier maar één jaar.”

De huidige directeur van de lagere school morrelt aan de schoolpoort. 1943 staat er bovenaan de gevel. Lumumba zat nog in de oude, vergane gebouwen. Hij was achttien in de vijfde klas, toen een normale leeftijd aan het eind van de basisschool. De directeur leidt ons binnen in wat vroeger de hal was. Hij sleurt enkele kasten open en begint verwoed te zoeken in stapels half verteerde cahiers. „Het puntenregister”, noemt hij de rotzooi plechtig. Na een half uur bladeren zegt hij ineens: „Hier.” Zijn wijsvinger glijdt over een tabel. Schooljaar: 1943. Onderwijzer: Damase Wunga. Nummer 20: Patrice Lumumba. Het is een zeldzaam document waarvan historici dachten dat het allang verloren was. Zijn uitslagen voor de drie trimesters; zijn eindresultaat: 64 procent. Lumumba is de 28ste op 51 leerlingen. Niet echt indrukwekkend voor een toekomstig staatsman.

Nu weet ik nog niet dat ik over een week in een volkswijk van Kinshasa zijn oude, blinde onderwijzer Damase Wunga ga terugvinden. „Lumumba was erg briljant in Frans en wiskunde”, zal hij me vertellen, „maar een nul in godsdienst en gewijde geschiedenis. Hij had nooit bij de katholieken gezeten, hè!” Wat was er zo gewijd aan een geschiedenis waar ze veertig kilometer verder nogal anders over dachten? Lumumba zag al snel het relatieve van religie in en begreep, en passant, dat het blanke bastion barsten vertoonde.

Veel belangrijker dan zijn cijfers was zijn naam in het document. Weinigen weten dat hij in 1925 geboren werd als Isaïe Tasumbu. Als self-made man deed hij echter iets zeer uitzonderlijks: eigenhandig van naam veranderen. Wanneer? Toen hij naar de grote stad trok, zoals vaak is gesteld? Nee, als scholier al. De jongeman brak met zijn vader en verving Tasumbu, diens familienaam, door Lumumba, een naam langs moederszijde. Het veel te bijbelse Isaïe moest wijken voor het modernere Patrice.

Dikungu

We zouden om zes uur vertrekken, maar het is al over tienen. Drie brommers staan klaar, tanks en jerrycans zitten vol, bevoorrading is er niet onderweg. De komende vier dagen zullen we geen enkel gemotoriseerd voertuig tegenkomen. Maar nu blijken we een chauffeur te kort te hebben. André en Manya, de twee chauffeurs, overleggen met elkaar. „Zouden we Diarrhée niet kunnen krijgen?” Pardon? Een half uur later blijkt Diarrhée de bijnaam te zijn van een beer van een vent die aan veel lijkt te lijden, behalve buikloop. Hij is de enige met een helm, een roze, waarop geheel terecht staat ‘only one helmet’.

Ook Pierre Wetshomba reist met ons mee, een uiterst minzame onderwijsinspecteur die, als hij geen scholen controleert, presenteert op de lokale radio. Tenminste, als er benzine is om de aggregaat te laten draaien. „Wij besproeien een gebied met een straal van 250 kilometer”, zegt hij poëtisch. „Gisteravond heb ik onze komst aangekondigd, in het Tetela.”

De inspecteur kruipt achterop bij André, Caroline bij Diarrhée, ik bij Manya. Na vijf minuten rijden we al door de savanne. Het Tetela is de taal van een bevolkingsgroep die in de savanne en aan de rand van het woud leeft. Over die bevolkingsgroep waartoe ook Lumumba behoorde, bestonden tegenstrijdige clichés: ze zouden krijgszuchtige kannibalen zijn, of nee, betrouwbare, harde werkers. Slechts één stereotiep bevatte een kern van waarheid. Het Tetela-volk kende nooit een sterk centraal gezag en heeft altijd iets anarchistisch gehad.

Aanvankelijk is de weg een brede, onverharde piste. Bij de oude leprozerij van Dikungu is hij zelfs zo breed dat er vroeger een vliegtuig kon landen. Na twaalf kilometer houden we halt. „Hier moet het zijn”, zegt de inspecteur. Onder een boom voor zijn hut zit de oude André Kafua op een laag stoeltje. Hij is moeilijk ter been, maar hij spreekt erg levendig. Hij heeft nog steeds iets van de sympathieke vlegel die met Lumumba naar school wandelde. „Ik heb Lumumba zeer goed gekend. Wij kwamen uit hetzelfde dorp en gingen naar dezelfde school, ik was één van de drie die bij de protestanten buitenvlogen. In Tshumbe woonden we zelfs samen.”

„Lumumba had een voorsprong qua Frans”, vertelt Kafua in het Tetela. De inspecteur tolkt ter plekke. „Hij had een grammaticaboek, daar liep hij altijd mee rond. In de klas maakte hij geen notities. ‘Te simpel’, zei hij. Tijdens de middagpauze onderwees hij zijn vrienden thuis. Hij gaf ons dictee. Ik ken er nog een van buiten.” En alsof het niets is reciteert de jeugdvriend een oefening van zestig jaar geleden in sierlijk Frans: „Bemin uw onderwijzer. Hij is het die u onderricht. Respecteer hem als uw vader. Luister steeds naar hem met de grootste aandacht. Gedraag u altijd volgzaam en gehoorzaam. Een onderwijzer is gelukkig indien zijn leerlingen studeren en onderdanig zijn. Hoedt u hem te bedroeven. Indien u diegene die zich aan u wijdt tot last bent, zult u ondankbaar zijn. Geleerd van Patrice! Hij hield erg van die tekst, hij zei hem vaak op.”

De onderwijzer als vaderfiguur; net zoals Lumumba zijn vader negeerde door zichzelf te herdopen, miskende hij de leerkracht door zelf voor onderwijzer te spelen. Anarchist, welja.

André Kafua heeft ons bericht op de radio gehoord en heeft speciaal voor ons zijn memoires aan Patrice opgeschreven. Een sleutelpassage: ‘Patrice had een aanvaring met zijn onderwijzer Damase Wunga over de spelling van Franse woorden op het bord’, staat er in heerlijke antieke krullen. „Patrice stond op om fouten te onderstrepen. ‘Dit is mis, er moet een s bij. Dit is mis, er moet een accent aigu bij. Hier hoort een e muet, en hier een accent circonflexe.’ Daarop barstte een discussie los. Het was een woensdag, de dag waarop Monpère [de blanke missionaris, red.] ons wekelijks zes frank en wat zout gaf. Monpère vroeg wat er scheelde en zei dat de fouten die Patrice Lumumba gezien had waarlijk fouten waren. De onderwijzer schaamde zich en Patrice begon op te scheppen over zijn goede Frans. Hij zei: ‘Het heeft geen zin om hier te blijven. Ik moet weg uit deze school, de onderwijzer begint me te haten.’”

Onalua

Op naar Onalua, Lumumba’s geboortedorp, twaalf kilometer verder. Vlakke savanne, zover het oog reikt, dan enkele inkepingen in het landschap. Stroompjes. De eerste brug is nog van beton, de volgende van planken, alle daarna enkel nog van bamboe. Gammel, gesjord, verrot. Als we door een dorpje rijden verbreedt de piste. De lemen hutten met rieten daken staan langs weerszijden van de weg, op ruime afstand van elkaar. Lintbebouwing op zijn Congolees. Het centrum van het dorp heeft vaak een huis van steen waar het hoofd woont. Daarvoor staat een hoge rieten luifel op houten palen. De chef van Onalua staat ons zwijgzaam op te wachten. Hij heeft duidelijk naar de radio geluisterd, want naast zijn tweedelig westers pak draagt hij ook een riem van luipaardvel en een kralensnoer van luipaardtanden: traditionele attributen van de chef. Meest indrukwekkend is zijn ceremonieel hoofddeksel waaruit twee lange, met kralen bezette horens naar voren steken. Ik voel me klein, een gevoel dat nog wordt versterkt door zijn zachte stem en bedachtzame motoriek. „Iedereen wacht op u.”

Onder het afdak heeft het hele dorp plaatsgenomen, meer dan honderd mensen. Kinderen spelen in het zand, jongeren drummen achterin, ouderen zitten op krukjes. De chef troont aan één zijde op het summum van modern comfort: een plastic tuinstoel, wij zitten tegenover hem. Rechts van ons een rijtje bejaarden dat al de hele voormiddag zit te wachten. André Tshupa lijkt ingeslapen maar steekt meteen van wal. Door het dorp wordt hij op handen gedragen. Hij was de derde musketier die van de protestanten naar de katholieken trok: „Ik ben op dezelfde dag geboren als Lumumba. We waren beste vrienden”, vertelt hij met zachte stem, waarin nog steeds de rustige trots en vastberadenheid schuilen van de jongeman die hij ooit was. Lumumba’s maten waren allesbehalve onderdanige leerlingen. „Na ons eerste leerjaar hier in het dorp, gingen wij elke dag om vijf uur ’s ochtends te voet naar school in Wembo-Nyama. Wij sliepen in hetzelfde bed. We vochten samen, maar hij gaf zich niet snel gewonnen. Hij pochte voortdurend dat hij een blanke was.”

Hoezo? Lumumba, de grote vrijheidsstrijder die Congo naar de onafhankelijkheid leidde, wilde een blanke zijn? De anderen beamen het volmondig. David Kinombe en Moïse Oduwoduwo waren tien jaar jonger: „Hij kon vreselijk opscheppen. Hij vroeg ons altijd om zijn voeten te wassen, omdat hij een blanke was!” „Ja, bij de bron was dat. Hij was niet gemeen, nee, gewoon erg anders. De jongeren moesten zijn boeken dragen naar school. Hij bleef maar herhalen dat hij blank was.” De meisjes van het dorp waren vrijgesteld van die corveeën, maar moesten wel dansen en zingen dat hij een blanke was. „Zo ging dat”, heft Henriette Kombe aan: „Patrice, lee-ee, zo sjiek, lee-ee, zo fier, lee-ee, een blanke, de zoon van Olenga.” Hij was zeer geliefd, benadrukt iedereen, zeer intelligent. De trots op Lumumba is algemeen, de frustratie over het heden eveneens. Hij danste goed en liep fier rond, hoor ik nog. Zijn vader was arm en onderhield hem slecht; Lumumba moest zijn eigen netten in de rivier leggen. Een grote vent, die pa, die palmwijn dronk en geweld niet schuwde. Toen zijn vrouw, Patrices moeder, het met een ander hield, bedreigde hij haar met een mes, daar vloog hij de gevangenis voor in. „En hij sloeg Patrice, natuurlijk.”

In de late jaren vijftig kwam Lumumba terug naar zijn dorp. Als évolué, als dandy. Dat hij ineens fijne stoffen en een stropdas droeg maakte veel indruk, maar dat hij met een blanke reisde en samen met hem at, sloeg alles. „De chef riep ons, kinderen, bijeen om te gaan kijken hoe hij at. Met bestek! Aan een tafel! Wij joelden en Lumumba gaf ons hompen brood.” Béatrice Okoko was nog een meisje: „Ik kreeg net borsten en Lumumba maakte mij het hof. Hij was al getrouwd! Ay, hij was zo sjiek en charmant. Hij haalde zelfs een fles whisky uit zijn binnenzak en zei: ‘We moeten onafhankelijk worden’.”

Zoveel nostalgie zorgt aan de andere kant van het afdak voor ophef. Een jongeman staat op, zijn ogen bliksemen. „Lumumba heeft zich opgeofferd, maar wij hebben nog steeds niks! Lumumba studeerde in primitieve schooltjes, wij studeren nog steeds in primitieve schooltjes. Niets is er veranderd in die vijftig jaar, niets! We hebben de onafhankelijkheid nog niet gezien. Wij gaan allen sterven, de chef ook, net zoals vóór de onafhankelijkheid. Wij willen verandering! En ontwikkeling! Een brug, een hospitaaltje, een school!”

Wembo-Nyama

Acht kilometer verder ligt Wembo-Nyama, een uitgestrekt dorp. De kerk, de scholen en de huizen van de Amerikaanse zendelingen staan er nog steeds. Hier ging Lumumba van 1939 tot 1942 naar school. Het schooltje ligt er verlaten bij. Vakantie. Minieme klasjes van vijf bij vijf meter, lekke daken. In het vierde jaar zat hij in de klas bij Benoît Mwembo. Ook hij leeft nog steeds; hij is negentig en woont bij zijn dochter in Kinshasa. Toen ik hem na lang zoeken vond, vertelde hij over zijn vader die aan het eind van de negentiende eeuw slaaf was van Afro-Arabische handelaren. Bevrijd door de Belgen, bleef hij bij hen in dienst en leerde hun taal. „Mijn vader was een van de eersten die Frans kon lezen en schrijven. Ik leerde het van hem.” Daardoor was Benoît de beste Franstalige op de Amerikaanse missiepost. Drie keer per week gaf hij zijn leerlingen een halfuurtje les. Geen wonder dat Lumumba later de lessen bij de katholieken een lachertje zou vinden. Die onderwezen alles in het Tetela, Frans was een bijvakje – ook voor de docent.

En toch werd hij weggestuurd. Waarom blijft onduidelijk. Danste hij te graag? Had hij een meisje bezwangerd? Had hij een hekel aan klusjes? Aan verplichte vieringen? Lag het aan de katholieken? De meningen zijn verdeeld.

„Het lag in ieder geval niet aan zijn gedrag in klas”, zuchtte meester Benoît bijna zeventig jaar later. „Hij was echt schrander. Zo’n briljante jongen van school gooien… Later schreven we wekelijks brieven. Toen ik hoorde dat hij vermoord was, was ik echt ziek. Het leven had geen zin meer voor mij. Nu nog doet het pijn. Ik hield veel van die man.”

Tunda

Diarrhée heeft haast. De missiepost van Tunda, de laatste missiepost waar Lumumba naar school ging, is nog ver weg, zeker tachtig kilometer. Voor het donker moeten we de Lomami over zijn. We kruipen achterop de brommers en stuiven door het immense landschap. De weg waar in de koloniale tijd twee personenwagens elkaar konden passeren, wordt steeds smaller, is overwoekerd door grassen en struiken, tot hij vaak niet meer is dan tien centimeter breed: de dikte van een motorband. Diarrhée rijdt als een bezetene voorop. Zestig, zeventig per uur. Wij volgen in zijn stofpluim. De geur van tweetaktolie en aarde. Manya heeft een zakdoek voor zijn mond gebonden. Ik zie Caroline onder het rijden fotograferen. Het landschap wordt een patchwork van savanne en oerwoud. Gras, struik, bos. In de valleien liggen stroken oerwoud waar het koeler, vochtiger en donkerder is. Op een bepaald ogenblik hoor ik Diarrhée schreeuwen. Hij gooit de remmen dicht en zet de motor af. Glunderend stapt hij af. Uit het regenwoud komt een landloper met wit haar en morsige baard. Ook hij glundert. Hij draagt een aardewerken pot vol sperma, of nee houtlijm. Er drijven mieren in, schilfers hout, spartelende wespen. „Palmwijn!”, straalt Diarrhée. Ondertussen komen ook André en de inspecteur aangetuft. „Is dat wel zo’n goed idee tijdens het rijden?” probeert de immer aardige inspecteur. „Ga jij ons vertellen hoe we moeten rijden?”, snauwt Diarrhée en hij koopt de hele emmer voor minder dan 5 eurocent op. Snel slaat hij met Manya twee liter achterover en nodigt hij ons uit om ook te proeven. Het spul blijkt heerlijk. Als hij vervolgens minutenlang gaat pissen in de wegberm, grinnikt hij over zijn schouder dat hij nog nooit van zijn leven water heeft gedronken.

Zodra we door dorpen komen, minderen we vaart. Kinderen rennen dol op ons af en zwaaien met beide handen. Ze dragen lompen, vaak ook niets. Nergens elektriciteit of kraanwater, laat staan gsm-bereik. Geld is schaars: dit gebied keert langzaam terug tot een premonetaire economie. In een gehucht is net een gazelle geschoten. De jager houwt met een machete de ribbenkast open. Terwijl Diarrhée voor een habbekrats de achterpoten opkoopt, komen jongens in de spiegels van de brommers voor het eerst zichzelf bezien. Dreumesen tot vijf jaar lopen krijsend weg: nooit eerder een blanke gezien.

De zon zakt weg. De vallei van de Lomami ontvouwt zich als een majestueuze golf in het avondlicht. Na enkele kilometers bereiken we het dorp aan de oever. Het schemert, maar eerst wordt uitvoerig onderhandeld. De machtige, roestkleurige rivier is ruim honderdvijftig meter breed en vormt de provinciegrens tussen Oost-Kasai en Maniema. Boven het water zie ik de staalkabel hangen waarmee vroeger het pontje heen en weer voer. Omdat de veerboot jaren geleden is gezonken, gaat de overtocht als vanouds: per prauw. Geen indrukwekkende boomstamkano van twintig meter lang, maar een schommelend schuitje dat slechts één brommer per keer kan vervoeren. Twee lui houden onze Yamaha’s overeind, terwijl de prauwvoerder met een grote boog tegen de stroming in peddelt. Tegen de tijd dat iedereen aan de overkant is, is het pikdonker. Ik vraag aan Manya waarom zolang moest gepalaverd worden. „Ze wilden meer geld.” „Waarom?” „Omdat ze een nijlpaard hadden gezien en die ’s avonds gevaarlijker zijn.”

Vanaf hier zou het snel gaan. „La route est très, très bonne”, verzekert Manya me, al was hij hier nooit eerder. De piste wordt een pad dat helemaal dichtgegroeid is. Grassen en takken geselen ons gezicht. Manya houdt één arm gestrekt voor zich om de vegetatie te klieven. Het duurt een uur, twee uur. Om halftien ’s avonds komen we in Tunda aan. Volop nacht. We zijn geradbraakt, maar er gaan enkele kaarsen aan en een uur later hebben we rijst, ananas en een soort bed.

„Lumumba deed hier zijn zesde jaar”, zegt de oude Longia-Kamana de volgende morgen, „ik zat toen in de tweede.” Tunda was een protestantse missiepost waar Lumumba enkele maanden studeerde. In het ochtendlicht is het een van de vredigste plekken die ik ooit in Congo zag. De bomen die tussen kerk en hospitaal een laan vormden zijn woudreuzen geworden. Auto’s rijden er allang niet meer, maar de lommer is weldadig. Het verhaal gaat dat Lumumba hier studeerde aan een school voor verplegers, maar dat lijkt niet te kloppen. „Nee, hij zat op de lagere school. Ik zag hoe hij zelf schoenen en hoeden maakte van takjes. Die is intelligent, dacht ik. Wij liepen allemaal blootsvoets, in singlet en korte broek, maar hij was echt de vedette.” Na een moderne naam, het cultiveren van zijn ‘blanke’ trots en het soigneren van zijn Frans, werkte hij nu aan de westerse look waarmee hij bekend zou worden. „Hij kamde zijn haar in een scheiding en toonde ons hoe dat moest. Hij begon ook een bril te dragen. In de winkels kon je die toen kopen voor twee frank. Mijn ogen waren goed, maar ik kocht er ook een, uit trots. Op school mocht je hem niet opzetten, maar het was wel sjiek.” Ook hier zou de latere premier, door een conflict met de clerus, moeten ophoepelen.

Lumumba was twintig in 1945. Hij had de oorlogsjaren niet beleefd als militair of dwangarbeider, hij had niet moeten vechten, rubber tappen of katoen kweken. Hij had op vier verschillende scholen gezeten en was er drie keer vanaf gestuurd. Als scholing de poorten van de wereld niet opende, restte er enkel nog migratie. Lumumba trok naar de stad, eerst Kalima, dan Stanleyville. Daar zou hij, dankzij zelfstudie en het verenigingsleven, opbloeien tot de mondige jongeman van wie de wereld nog zou opkijken.

Paul Wemb’okoko-Ngandu zit naast mij op een afbrokkelend muurtje. Hij is nu hoofd van de verplegersschool en werd één dag voor de onafhankelijkheid geboren. „Lumumba had een visie van vrijheid en zelfbestuur”, zegt hij melancholiek. „Hij was een held, maar het is allemaal zo snel gegaan. Nu werkt er niets. Ik ben vijftig: mijn moeder kreeg weeën op de laatste dag van de kolonie! Maar ik heb nog nooit een wedde gehad. Ik ontvang een deel van het schoolgeld, maar tijdens de vakantie moet ik zelf rijst, maniok en een geit kweken.”

Hij laat zijn blik over de vervallen missiepost gaan. „Dit land is rijk. Na 1960 zou het geld niet meer naar België vloeien. Het bleef hier, ja, maar slechts bij enkelen. Vandaag koestert de elite haar villa’s en apathie voor het volk.”

Met dank aan Yves Kluyskens.