Column

Lachen!

‘Mag ik een kilo Moerdijkse spruitjes?” vraagt de aardige meneer aan de groenteboer. Deze vraagt zeer eigentijds of hij mag weten wat hij ermee gaat doen.

„Kerstboomverlichting voor volgend jaar”, zegt de man.

„Ik weet niet of ze zo lang blijven gloeien”, antwoordt de groenteman.

„Dan eet ik ze wel op en ga tegen die tijd zelf als kerstboom in de hoek van de kamer staan. Dan heb ik weer eens een functie”, oppert de man een beetje somber.

Hij vertelt vervolgens hoe zinloos zijn leven is geworden. Hij is 58, de kinderen zijn het huis uit, op de zaak werd hij overbodig dus zit hij in de vut en zijn vrouw wil eigenlijk alleen nog met hem fietsen. Op maandag past hij op zijn kleinzoon van anderhalf en als hij dan samen met het kleine mannetje de eendjes voert staat het huilen hem regelmatig nader dan wat dan ook. Hij denkt na over het werk dat hij heeft gedaan. Hij moest namens een grote sigarettenfabriek het roken onder de jongeren stimuleren en dat deed hij goed. Zo mocht hij politici benaderen en ervoor zorgen dat zij geen maatregelen tegen het roken in openbare gelegenheden zouden ondersteunen.

Met de reclamejongens overlegde hij over het imago van de rokers. Cowboys werden ingezet. Stoere cowboys die genoten van een sigaret. Diep inhalerende cowboys. Geen hoestende rocheltrommels natuurlijk. Hij had de strijd wel een beetje verloren. Links kreeg het voor elkaar dat de kroegen rookvrij werden, net als de restaurants en de disco’s en de stations en de ziekenhuizen en de treinen en de trams en… eigenlijk alles. Vandaar die vut. Nu golft hij af en toe tegen een gepensioneerde longarts tegen wie hij regelmatig grapt dat hij dankzij hem zo mooi woont. De longarts lacht keer op keer beleefd.

Hoe zinloos was zijn leven en hoe zinvol is het nu? Hij heeft geen idee.

Hij staat bij de groenteman en maakt het spruitjesgrapje. Humor is zijn benzine. Brandstof om vooruit te komen. Vooruit waarheen? Nergens heen.

Vorige week vroeg de computerwinkelier in een overvolle zaak of hij even het wachtwoord van zijn laptop wilde intikken.

„Dat mag u wel doen hoor”, antwoordde hij gevat, „het wachtwoord is hofnarretje”. Iedereen lachte en dat deed hem goed.

Zo scharrelt hij zich door het leven. Per dag ploetert hij een paar uur op internet zijn humor bij elkaar. Vooral als het regent. Zijn vrouw heeft eigenlijk geen kind aan hem. Een van zijn nieuwe hobby’s is twitteren. Dus als hij op Telegraaf.nl leest dat er in het Haagse Nieuwspoort cocaïne is gevonden dan schrijft hij dat volgens hem het hele Binnenhof al jaren aan de drugs is. En daar reageren anderen dan weer op. Zo geeft hij na de inbraak in het huis van Wes & Yo de moeder van Jan Smit de schuld. Die kwam de gastendoekjes terughalen. Een andere lezer vermoedt dat het de vrouw van Kluivert is geweest omdat de rekening van het sprookjeshuwelijk nog steeds niet geheel voldaan is. Zo brabbelt hij zich door de dagen.

„Anders nog iets?” vraagt de groenteman.

„Nee, mijn grapjes zijn op.”

Thuis achter zijn laptop leest hij site voor site de geruststellende overheidslulkoek over de Moerdijkbrand en denkt: wat is pr toch een prachtig vak. Je leven lang liegen en je zakken vullen. Dat de ministers in dat busje bleven vindt hij ronduit knullig, maar ook wel weer geestig.

Dan belt zijn beste vriend dat hij na dertig jaar roken getroffen is door longkanker. Hij weet niet zo goed hoe hij daarop moet reageren. Zijn vriend vertelt dat hij bestralingen en chemo krijgt.

„Je kunt ook een paar uur op het terrein van Chemie Pack gaan wandelen”, probeert hij grappig te zijn. Aan de andere kant blijft het stil. Dan roept hij wanhopig: „Humor is vaak het beste medicijn.”

„Klopt”, zegt zijn vriend, „ik lach me dood.”