Internetsurveillance

Internet maakt de wereld onvrijer. Autoritaire regimes gebruiken Facebook en Twitter om dissidenten op te sporen. Ook westerse landen zinnen op censuur en controle.

Geboren in 1984 geboren in Wit-Rusland. Op de middelbare school kreeg hij een studiebeurs van de Open Society Foundation, de organisatie die door belegger George Soros werd opgericht om wereldwijd de democratie te bevorderen. Hij verhuisde via Berlijn en Praag naar de Verenigde Staten. Hij bekleedde de Yahoo!-leerstoel aan het Institute for the Freedom Study of Diplomacy aan Georgetown University en is nu gastdocent aan Stanford University. Ook schrijft hij een blog voor Foreign Policy.

De ‘tietenshow’ klinkt als een veelbelovende naam voor een wekelijkse internetproductie. De show wordt gehost door Russia.ru, een online tv-zender, en het format is vrij simpel. Een geile en iets te dikke jongeman gaat de Moskouse nachtclubs af op zoek naar volmaakte borsten. In het Moskouse uitgaansleven heeft de show natuurlijk altijd wel wat te filmen en meer dan genoeg vrouwen om te betasten en te interviewen.

Het brein achter deze smakeloze show en de zender die hem produceert? Geen uitgekookte Moskouse internetondernemer, zoals we misschien zouden verwachten, maar het Kremlin zelf.

De tietenshow is maar één van de twintig, dertig wekelijkse en dagelijkse videoprogramma’s die het team van Russia.ru produceert om tegemoet te komen aan de eigenzinnige smaak van de Russische internetgebruikers. Een aantal van die programma’s gaat over politiek – heel af en toe is er zelfs een gesprek met de Russische president Dmitri Medvedev – maar meestal is onbenulligheid troef. Een typische aflevering van de ‘boekenshow’ behelsde een verkenning van de beste boeken over alcohol die in de Moskouse boekwinkels te krijgen waren.

Wie de westerse pers leest, krijgt makkelijk de indruk dat internet in Rusland een doeltreffend en uiterst populair middel is voor aanvallen op de overheid.

Geldinzameling voor zieke kinderen en campagnes ter beteugeling van de corruptie bij de politie zijn inderdaad heel zichtbaar op het Russische internet, maar amusement en sociale media voeren toch nog altijd de boventoon. De populairste zoekopdrachten bij de Russische zoekmachines zijn niet ‘wat is democratie?’ of ‘hoe de mensenrechten te beschermen’, maar ‘wat is liefde?’ en ‘hoe moet ik afvallen’.

Russia.ru maakt geen geheim van zijn banden met het Kremlin; hooggeplaatste leden van de verschillende jeugdbewegingen van het bewind hebben zelfs hun eigen talkshows. De behoefte aan zo’n site komt voort uit de vrees van de Russische overheid dat de overgang van de wereld van de televisie, die ze geheel beheerst, naar de anarchistische wereld van internet haar vermogen zou kunnen ondergraven om de agenda te bepalen en de reacties van het publiek op nieuws te sturen.

Daartoe ondersteunt het Kremlin niet alleen een hele reeks politieke sites, maar krijgt het ook steeds meer vertakkingen in het apolitieke amusement. Uit het gezichtspunt van de overheid is het veel beter om jonge Russen helemaal van de politiek weg te houden en hun in plaats daarvan leuke video’s te bieden op RuTube, Ruslands eigen versie van YouTube, of op Russia.ru. Veel Russen gaan hier maar al te graag in mee, niet in de laatste plaats vanwege de hoge kwaliteit van dat soort online vermaak.

De Russische autoriteiten hebben misschien wel een vondst gedaan: de doelmatigste controle over internet is niet een systeem met zeer geavanceerde en draconische censuur, maar een systeem dat geen censuur nodig heeft.

Ze zijn niet de enigen: autoritaire regeringen – en ook enkele die beweren dit niet te zijn – ontdekken steeds meer dat internet een zeer nuttig hulpmiddel is om hun bevolking in de gaten te houden en in de pas te laten lopen.

Voor de mensen die verkondigden dat Twitter en aanverwanten de nieuwe wapens voor revolutionairen over de hele wereld waren, moet het heel zuur zijn om te merken dat de sociale media nu worden gebruikt door degenen die ze verafschuwen. Het is de grote misvatting over de digitale toekomst: dat internet ons automatisch zal bevrijden.

Dit misverstand was het duidelijkst te zien in Iran in juni 2009. Duizenden jonge Iraniërs stroomden met de smartphone in de hand de bedompte straten van Teheran op om te protesteren tegen de in hun ogen frauduleuze verkiezingen. De Iraanse samenleving, geteisterd door de tegenstrijdige krachten van populisme, conservatisme en moderniteit, kreeg te kampen met de ernstigste politieke crisis sinds de revolutie van 1979.

Maar dat was niet het verhaal waaraan de meeste westerse media de voorkeur besloten te geven. In plaats daarvan mijmerden ze liever over de introductie van de democratie in het land dankzij internet en – met name – Twitter.

Algauw doken ook de techneuten op de zaak, blij dat hun lievelingsinstrument alle aandacht van de media kreeg. Twitter leek almachtig – in elk geval machtiger dan de Iraanse politie, de Verenigde Naties, de Amerikaanse regering en de Europese Unie. En algauw grepen opiniemakers de overvloed aan Iraanse tweets aan als een excuus om vergaande conclusies te trekken over de toekomst van de wereld in het algemeen.

Voor velen was het Twitter-protest in Iran een duidelijk teken dat het autoritarisme overal ten dode opgeschreven was. Anderen suggereerden zelfs dat Twitter moest worden voorgedragen voor de Nobelprijs voor de vrede.

Maar de belachelijkste conclusie werd getrokken door de toenmalige Britse premier Gordon Brown. „Een Rwanda zou niet meer mogelijk zijn, omdat de informatie over de feitelijke gebeurtenissen veel sneller naar buiten zou komen en de publieke opinie het punt zou bereiken waarop zou moeten worden ingegrepen”, zei hij met een verwijzing naar de volkenmoord van 1994 in dat Afrikaanse land. „De gebeurtenissen in Iran van deze week maken ons duidelijk hoe mensen met behulp van nieuwe technieken op nieuwe manieren samenkomen om hun mening te geven.”

Naarmate de Iraanse Groene beweging in de maanden na de verkiezingen veel van haar elan verloor, werd duidelijk dat de Twitter-revolutie die door zoveel westerlingen maar al te snel was uitgeroepen, niet meer dan een wilde fantasie was.

Wel kan ze nog altijd bogen op minstens één ondubbelzinnig wapenfeit: ze openbaarde in elk geval het heftige westerse verlangen naar een wereld waarin de informatietechnologie de bevrijder in plaats van de onderdrukker is, een wereld waarin de techniek kan worden aangewend om de democratie over de wereld te verspreiden in plaats van te dienen als verdedigingswal voor autocratieën.

Uit de nasleep van de protesten blijkt dat dit een drogreden was – en nog een gevaarlijke ook. Binnen enkele weken nadat het straatprotest was weggeëbd, begon de Iraanse politie de jacht op de kopstukken. Ze zocht daartoe op internet naar foto’s en video’s waarop gezichten van de betogers te zien waren – bij bosjes, dankzij de alomtegenwoordigheid van de sociale media – om die op websites van media te zetten en de hulp van het publiek te vragen bij de identificatie van personen.

In december 2009 publiceerde de website Raja-nieuws, die de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad steunt, 85 foto’s met zo’n 160 roodomcirkelde gezichten. Volgens de Iraanse politie zijn ten minste 40 mensen geïdentificeerd en aangehouden dankzij tips van de bevolking. Dat was een ondernemend, zij het wel verontrustend gebruik van crowdsourcing, zoals internetapostelen dat noemen.

De politie, of iemand die namens haar optrad, ging ook op zoek naar persoonlijke gegevens – meestal Facebookprofielen en e-mailadressen – van Iraniërs die in het buitenland wonen en stuurde hun dreigementen met de oproep de Groene Beweging niet te steunen, tenzij ze hun familie in Iran wilden schaden.

Intussen trokken de autoriteiten even hard van leer tegen de Iraniërs in eigen land, die werden gewaarschuwd weg te blijven van de sociale netwerksites die de oppositie gebruikte.

Douanebeambten op de luchthaven van Teheran vroegen Iraniërs die in het buitenland wonen of ze een Facebook-account hadden. Ongeacht het antwoord werd vaak nog online gecontroleerd en werd elke verdacht lijkende online vriend die een reiziger eventueel had, genoteerd. Maar het opmerkelijkste – en minst opgemerkte – gegeven over de Iraanse Twitter-revolutie was dat het aantal pro-regeringsberichten op Twitter twee weken na het begin van de protesten was opgelopen tot het tweehonderdvoudige ten opzichte van de periode meteen na de verkiezingen. Hoogstwaarschijnlijk kwam dit niet doordat de Iraanse twitteraars opeens gek op Ahmadinejad waren geworden.

Niet dat de Iraanse autoriteiten nu zozeer iets nieuws deden – hun tactieken zijn immers ook toegepast door regeringen, zowel autoritaire als westerse – en ook door bepaalde bedrijven. Autoritaire regeringen hebben altijd groot belang gehecht aan doeltreffende strategieën om informatie te vergaren over hun bestaande of toekomstige vijanden.

Hoe doen de klassieke surveillancetactieken het in het digitale tijdperk? Das Leben der Anderen, de Duitse film die in 2007 een Oscar won, helpt met zijn scherpe weergave van de surveillance-activiteiten van de Stasi, de Oost-Duitse geheime politie, om een en ander in perspectief te plaatsen.

De film richt zich op het minutieuze werk van een toegewijd Stasi-agent die een dissident moet bespieden en laat zien hoe duur die surveillance altijd was. Er moesten geluidsbanden worden aangeschaft, opgeslagen en verwerkt, één voor één microfoontjes worden geïnstalleerd, Stasi-agenten moesten dag en nacht hun koptelefoon ophouden om te kijken of hun onderwerp in een tirade tegen de overheid ontstak of per ongeluk andere leden van zijn netwerk onthulde.

De verschuiving van de communicatie naar de digitale wereld lost veel van de problemen op waardoor de surveillance in het analoge tijdperk werd geplaagd. Digitale surveillance is veel goedkoper: de opslagruimte is oneindig, de apparatuur is voor een schijntje te koop en dankzij de digitale techniek is meer mogelijk met minder. Bovendien hoeft niet elk woord in een e-mail te worden gelezen om de meest interessante gedeelten te achterhalen; er kan gewoon naar bepaalde sleutelwoorden worden gezocht – ‘democratie’, ‘oppositie’, ‘mensenrechten’, of gewoon de namen van de oppositieleiders in het land.

Ook zijn digitale microfoontjes eenvoudiger te verbergen. Hoe weet je dat iemand anders je e-mail leest? Een analyse van de inhoud van grote aantallen e-mails en digitale links wordt steeds gemakkelijker. Tal van wetenschappelijke studies bevestigen dat, als we persoonlijke gegevens op een sociale netwerksite achterlaten, we de kans vergroten dat iemand ze misschien gebruikt om te voorspellen wat wij op prijs stellen. En weten wat wij op prijs stellen is een goede eerste stap op weg naar de beheersing van ons gedrag.

Een studie uit 2009 door onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology heeft uitgewezen dat het met een opvallende mate van nauwkeurigheid mogelijk is de seksuele geaardheid van Facebook-gebruikers te voorspellen door een analyse van hun online vrienden. Dit is niet bepaald goed nieuws voor homoseksuelen in gebieden als het Midden-Oosten, waar homoseksualiteit nog steeds een zwaar sociaal stigma heeft – of erger.

Uit een andere studie, uitgevoerd door onderzoekers van de universiteit van Cambridge en getiteld ‘Acht vrienden zijn genoeg’, blijkt dat op grond van de beperkte informatie die Facebook aan zoekmachines zoals Google onthult, nauwkeurige conclusies getrokken kunnen worden over informatie die niet wordt onthuld.

Veel van de functies waardoor sociale netwerksites zo gemakkelijk te gebruiken zijn – bijvoorbeeld om na te gaan wie van je vrienden al lid zijn van de site door een programma je lijst met contactpersonen te laten doorzoeken – vergemakkelijken ook de opsporing van de identiteiten achter e-mails of zelfs van de activiteiten van gebruikers op allerlei andere sites.

Ook al hebben westerlingen minder te vrezen van de verbreiding van dergelijke technieken dan mensen die onder dictaturen leven, ook zij zullen niet gerust zijn op de omvang van het gebruik. Bedrijven hebben nu al voordeel van het groeiende sociale karakter van internet. Hotels gebruiken inmiddels locaties, data en gebruikersnamen die op sites als TripAdvisor verschijnen om de identiteit van een gast te traceren.

Als ze een waarschijnlijke match vinden en de recensie is positief, dan wordt die toegevoegd aan de lijst met voorkeuren voor een hotel. Is deze negatief, dan kan de reiziger een voucher krijgen ter compensatie van het ongemak of, in het ergste geval, als ‘probleemgast’ worden gemarkeerd.

Natuurlijk zijn hotels geen autoritaire regeringen – ze zullen geen gasten op hun kamer opsluiten omdat ze een afwijkende mening uiten – maar als zij de echte identiteit achter online bijnamen kunnen achterhalen, kan de geheime politie dat ook.

Het publiek lijkt ook bereid op de bres te springen voor regimes waarvan cyberutopisten misschien weinig steun verwachten. Autoritaire landen worden niet alleen bevolkt door dissidenten in de dop die uitsluitend wachten op de kans om hun woede te uiten.

In China worden naar schatting 280.000 bloggers ingezet om online discussies in de ‘ideologisch juiste’ richting te sturen. Ze heten het Vijftig Cent-leger, naar het bedrag dat ze voor elke reactie betaald schijnen te krijgen. De Chinese ervaring heeft ook andere regeringen geïnspireerd, zoals in Nigeria en Cuba.

Ook is de overtuiging ongegrond gebleken dat internet ons tot hypertolerante wereldburgers zou maken, die maar al te graag hun akelige vooroordelen opzij zetten en zich openstellen voor alles wat ze op hun scherm zien. Tweets blijken niet al onze nationale, culturele en godsdienstige geschillen op te lossen, maar ze zelfs te kunnen beklemtonen.

Tal van de godsdienstige en culturele praktijken die de mondialisering hadden moeten afvlakken, zo niet geheel wegnemen, zijn door internet weer opgeleefd.

Neem het geval van Gokce, een Turks dorpje aan de zuidgrens met Syrië. Hoewel polygamie in Turkije al sinds 1926 verboden is, leeft het gebruik nog veelvuldig voort op het platteland, ook in Gokce. Tot voor kort moesten de hunkeraars uit Gokce die er nog een vrouw bij wilden, op de bus naar Syrië springen.

Maar tegenwoordig beginnen de meeste van die ‘romantische’ avonturen online, dankzij het eerste internetcafé van Gokce, dat in 2008 werd geopend. „Iedereen komt nu naar het internetcafé om een vrouw te zoeken. Soms is er geen zitplaats meer over”, zei de de café-eigenaar tegen EurasiaNet. Als gevolg hiervan neemt de polygamie toe, waarbij vooral bruiden uit Marokko in trek zijn, want die hebben geen visum voor Turkije nodig.

Internet heeft de mannen van Gokce dus niet tot kosmopolitische verdedigers van de vrouwenrechten gemaakt, maar alleen hun status als kosmopolitische polygamisten versterkt.

Het goede nieuws is dat we niet afstormen op een gemondialiseerd nirvana waarin iedereen bij McDonald’s eet en naar dezelfde Hollywoodfilms kijkt, zoals door sommige vroege critici van de mondialisering werd gevreesd. Het slechte nieuws is dat de wereldpolitiek onder druk van godsdienstige, nationalistische en culturele krachten die door internet worden aangewakkerd, almaar complexer, conflictueuzer en meer versplinterd zal worden.

Veel westerlingen beschouwen internet als een uitgelezen kans om de minst geloofwaardige onderdelen van de moderniseringstheorie nieuw leven in te blazen – de eertijds populaire overtuiging dat alle ontwikkelingslanden met enige hulp een startpunt kunnen bereiken waarop ze hun geschiedenis, cultuur en godsdienst opzij kunnen zetten en de beleidsstappen van meer ontwikkelde landen kunnen volgen. Maar dergelijke denkbeelden zijn niet in overeenstemming met de werkelijkheid.

Er is ook een aantal grote tegenstrijdigheden tussen de sterke anti-reguleringsdrang van de westerse buitenlandse politiek en de al even sterke pro-reguleringsdrang van de westerse binnenlandse politiek. Want terwijl diplomaten de deugd prediken van een vrij en open internet in andere landen, een internet dat geen last heeft van politie, gerechtelijke bevelen en censuur, prediken hun tegenhangers in eigen land – en voeren soms zelfs al – een beleid dat hier lijnrecht tegenover staat.

Sommige overheden – Australië voorop – flirten voortdurend met censuurmaatregelen die een griezelige gelijkenis vertonen met die van China. Europese overheden proberen al een aantal jaren tot keiharde wetgeving te komen om het illegaal delen van bestanden terug te dringen, met als mogelijk gevolg dat internetproviders het gedrag van hun gebruikers agressiever zullen gaan bijhouden.

In Groot-Brittannië hebben de inlichtingendienst GCHQ en het ministerie van Binnenlandse Zaken een surveillanceprogramma ontwikkeld dat de e-mails van iedereen kan lezen. Ze stellen met klem dat dit programma zich richt op terroristische en andere onwettige activiteiten. De Amerikaanse overheid zou binnenkort wel eens op een aantal fronten tegelijk op controle van internet kunnen aansturen.

Het meest agressief in hun drang tot meer internetcontrole zijn leger, politie en justitie, iets wat versterkt is door de recente onthullingen van geheime documenten op WikiLeaks.

In het licht van dergelijke activiteiten is het misschien ietwat voorbarig om de voordelen te roemen van een medium dat het Westen zelf nog niet eens moeiteloos in zijn politieke instellingen weet in te bedden. Je kunt tenslotte niet oproepen om sites als WikiLeaks beperkingen op te leggen en misprijzend over China en Iran doen omdat zij iets dergelijks willen.

Als blijkt dat internet helpt om afwijkende meningen te onderdrukken, bestaande ongelijkheden in de toegang tot de media te versterken, de vertegenwoordigende democratie te ondermijnen, een boevenmentaliteit te bevorderen, de privacy te schaden en ons minder goed geïnformeerd te maken, is het niet duidelijk hoe de bevordering van die zogenaamde internetvrijheid nu precies zou moeten bijdragen tot de bevordering van de democratie.

Het zou ook kunnen dat internet niets van dit alles doet. Belangrijk is wel om te erkennen dat de discussie over de gevolgen van internet voor de democratie nog niet is afgelopen en niet te doen alsof de uitkomst al bijna vaststaat.