'Ik schrijf liedjes om mijn gelijk te halen'

Een hele voorstelling maken met alleen liedjes kan niet, zei men tegen Katinka Polderman. Maar het kon wél. De komende anderhalf jaar reist ze rond het haar derde liedjesprogramma ‘Polderman tuigt af’.

Katinka Polderman. Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen Eindhoven, 13-01-2011. Katinka Polderman, cabaret. Foto Leo van Velzen NrcHb.

„Ja dat kan ze wel, ’t vrouwtje: liedjes maken.” Op smalende toon relativeert Katinka Polderman in haar nieuwe programma Polderman Tuigt Af haar grootste talent: liedjes schrijven. Haar derde programma gaat over de angstcultuur die Nederland op dit moment beheerst: angst voor calamiteiten, voor de crisis en allerhande rampen. Het thema wordt uitgebreid met observaties over hedendaagse verschijnselen als moeders in bloemetjesjurken die ‘thee met struiken erin’ drinken, moderne kindernamen (Kiwi en Paprika), of de cultus rond ‘vergeten’ groente.

Over deze onderwerpen zingt ze scherpe, navrante, ontroerende of virtuoze liedjes. Virtuoos is de roffelende rijmreeks in het lied over de boksbaard, een vergeten groente; roerend het eerbetoon aan overleden hond Busje (‘Een urn kwispelt niet’), grappig is het nummer over haar – bijna – ideale vriend, die afziet van orale seks (‘Zelfs na vierentwintig Leffe/ wil hij nog niet beffen’), grof is het anti-babylied.

De voorstelling is losjes opgebouwd rond de dreiging van een naamloze ramp, die uiteindelijk resulteert in een prachtige apocalyptische scène, waarin Polderman met haar uitgestreken stem, te midden van zwaaiende lampen en rookwolken onverstoorbaar varieert op het thema van de door haar begeerde ‘boksbaard’.

De Zeeuwse cabaretière werd bekend in 2005, toen ze het Leids Cabaret Festival won. Sindsdien maakte ze twee avondvullende programma’s: Polderman (2006) en Polderman Kachelt Door (2008). Vergeleken bij die eerdere shows, waarin Christina Aguilera onzachtzinnig werd afgeserveerd en ze haar plastische ‘Pijplied’ zong, is Polderman Tuigt Af rustiger van toon. Tussen de liedjes door heeft ze het onder meer over haar nieuwe liefde, en over zijn kinderen, die ze met onverwacht plezier verzorgt.

Is Polderman dan toch getemd?

„Een beetje wel, ja. Vroeger ontstonden mijn liedjes en teksten vooral uit woede over wat ik om me heen zag gebeuren. Nu ben ik milder.”

Waar maakte u zich vroeger boos over?

„Bijvoorbeeld over de vanzelfsprekendheid waarmee stille tochten werden georganiseerd. Ik schreef toen het liedje ‘Ik hoop dat ik nooit doodgeslagen word’, want ik moet er niet aan denken dat mensen zo’n tocht voor me houden. Naar die Pavlovreactie kijk ik met een mengeling van verbazing en woede – hoewel, woede is een te heftig woord, het is vooral verbazing: doe toch eens normaal, allemaal!”

Maar wat is normaal?

„Als er ergens in het land iemand wordt doodgeslagen, wil iedereen meteen zijn betrokkenheid laten blijken. Iedereen wil het erg vinden. Natuurlijk is het erg, maar ik zou zeggen ‘Blijf een beetje bij jezelf’. Je kunt niet alles erg vinden, daar heb je een dagtaak aan.

„In deze voorstelling heb ik het over de betutteling door de overheid. Die bordjes overal. Weeralarm, rampenplannen, pandemieën; pas op voor dit, denk aan dat, aan zakkenrollers, verkeersdrempels, gevaarlijke kruisingen… Mensen hoeven nauwelijks meer zelf op te letten. Dat is eigenlijk het thema van al mijn programma’s tot nu toe: denk zelf en laat je niet gek maken door de media en de mensen om je heen.”

U won het Leids Cabaret Festival in 2005, u was 24. Hoe ervoer u die overwinning?

„Het was een evenement, omdat het festival de jaren ervoor steeds was gewonnen door stand-uppende mannen. En daar was ik: een meisje met liedjes. Na het winnen kon ik er direct van leven, ik kon drie keer per week spelen, ik werd gevraagd voor radio-optredens. Eerst meenden mensen dat het onmogelijk was om met alleen maar liedjes een volledig programma te maken, maar ik heb het gedaan en het is gelukt.”

In uw programma windt u zich op over allerlei dingen. Zoals baby’s.

„In de voorstelling zit een anti-baby lied. Ik heb een hekel aan baby’s en kleine kinderen. In het lied zing ik: ‘Het zijn kleine profiteurtjes/ Het schijt, het pist, het spuugt, het krijst, het braakt/ Nooit laat ik me in met dat soort types’, maar de laatste regel is: ‘O wee als ik het zelf heb gebaard’. Ik ben sinds anderhalf jaar tante van een meisje, en haar vind ik heel lief. Ik zie mezelf nog wel eens voor de bijl gaan. Je kunt je er als vrouw moeilijk tegen wapenen, ongetwijfeld word ik ook zo’n moeder die haar lelijke kind hartstikke mooi vindt. Dit lied is een geheugensteun voor mezelf: mocht ik eens baren, dan hoop ik dat ik het een keertje terughoor. Ter relativering.”

De woede is er nog wel. Waardoor is deze voorstelling dan toch milder dan eerdere?

„Ik ben de illusie kwijt dat ik werkelijk iets kan veranderen. Op de theaterschool wordt eindeloos gehamerd op boodschap en engagement. Dus als achttienjarige denk je dat je de mensen kunt gaan laten zien hoe het moet in dit land. Maar ik kwam er naar verloop van tijd achter dat ik nu eenmaal geen dominee of politicus ben. Ik zit als cabaretière toch meestel met een zaal vol medestanders, zij behoeven in mijn ogen niet veel verandering.

„In de voorstelling zit het liedje ‘Er zal eens iemand dood gaan in dit land’, over alle reddingsboeien, rampenplannen en defibrillatoren die de burgers tegen onheil moeten beschermen. Als ik dat zing, hoor ik de mensen in de zaal lachen. Met die lach zeggen ze: ‘Ja, je hebt gelijk’. Dat is fijn. Voor het publiek is het fijn dat ze iemand horen die denkt zoals zij, en voor mij is het een bevestiging. Ik schrijf immers liedjes om mijn gelijk te halen.”

U heeft deze voorstelling drie maanden proefgedraaid. Heeft u veel veranderd in die periode?

„Er was eerst geen decor, geen kostuum. Er waren eigenlijk alleen maar liedjes, de verbindende teksten moesten nog gemaakt. Na een paar optredens vroeg ik me af: ‘Waar gaat het over, wat wil ik vertellen’. De teksten tussen de liedjes geven het kader. Ze ontstonden deels improviserend, deels in gesprek met regisseur Eva Bauknecht en dramaturg Anna Uitde Haag. Zij keken naar de opbouw, naar technische aspecten als ‘het exposé’ en het ‘motorisch moment’. Aan het eind van de voorstelling zit een climax, als ik zeg ‘Laat nu die ramp maar komen’. Als ik die zin aan het begin had gezegd, was er geen spanningsboog geweest. Daar waken regisseur en dramaturg over.”

En: klopt het programma nu?

„De lijn was moeilijk te pakken in deze voorstelling, en hij is nog niet helemaal af, vind ik. De liedjes zijn goed, maar de verbindende teksten moeten scherper. Ik heb het over drie soorten ongemak: over calamiteiten, crisis en rampen. Die drie zijn nu nog niet duidelijk genoeg omlijnd, naar mijn zin. Maar ik heb alle vertrouwen dat het goed komt. Mijn tournee duurt anderhalf jaar. Nu eerst maar eens spelen, en dan nog wat schaven.”

Vindt u dan dat uw betoog gestructureerd moet zijn, mag het niet ook een beetje los?

„De aanwezigen hoeven na afloop niet te besluiten dat ze hun leven gaan omgooien, maar ik hoop wel dat mijn ideeën na te vertellen zijn. Ik betrek ook meteen aan het begin het publiek erbij door calamiteitenvestjes uit te delen en een paar mensen ‘verantwoordelijk’ te maken voor het welzijn van de zaal. Zelf nadenken is het thema, en dat komt op verschillende manieren terug.”

Is dit een goede tijd om cabaret te maken?

„Toen ik mijn eerste programma maakte, in 2005, was er maatschappelijk van alles aan de hand. Er was de nasleep van de moord op Pim Fortuyn, het begin van de angstcultuur, de groeiende trend van stille tochten; het was een dankbare periode om een cabaretprogramma te maken. Het hoogtepunt van die uitwassen is naar mijn idee al achter de rug. Kijk, aan stille tochten zijn we inmiddels zó gewend, daar kun je nu met goed fatsoen geen liedje meer over schrijven.”

U bent kritisch over de houdbaarheid van uw thema’s. Zal deze voorstelling over twee jaar nog relevant zijn?

„Soms helpt de actualiteit juist mee. Zoals nu met die brand in Moerdijk en de terugkeer van de Mexicaanse griep. Die nieuwsfeiten verwerk ik dan meteen in de voorstelling, dat zijn concrete illustraties van mijn idee. Maar er zijn omstandigheden te bedenken waardoor mijn teksten in één klap achterhaald zouden zijn. Als we hier straks een aardbeving krijgen, dan heb ik wel een probleem.”

Polderman Tuigt Af: 15/1 Schouwburg, Amstelveen; 26/1 Arsenaal, Vlissingen; 27 t/m 29/1 Stadsschouwburg, Utrecht. Info katinkapolderman.nl