Er was maar één winnaar en dat was hij

Peter Post was een grootheid in de Nederlandse sportwereld. Hij vernieuwde de op tradities gebouwde wielersport. Post eiste discipline, altijd en overal.

Peter Post was keizer van de zesdaagse met 65 overwinningen. Foto Anefo

Winnen, altijd en overal. Dat eiste hij van zichzelf en van zijn renners, altijd en overal. Bikkelhard, zo was hij als wielrenner en later als ploegleider. Om Peter Post kon niemand heen. Hij was een man met gevoel voor discipline, stijl en status, tot aan zijn dood. Gisterochtend overleed hij op 77-jarige leeftijd in het VU-ziekenhuis in Amsterdam, na een ziekbed van enkele maanden.

Weinigen wisten van het lijden dat hij de afgelopen maanden moest doorstaan. Hij wilde geen gezichtsverlies, hij wilde niet dat mensen hem zagen als een gebroken, zielige, zieke man. Een winnaar kent geen statusverlies. Die lange, stoere, stijlvolle, ijdele man die nooit van wijken wist, wilde stiekem verdwijnen, slechts omringd door intimi.

Eerst was Post de keizer van de zesdaagse (65 overwinningen), de baanrenner die wedstrijden meedogenloos naar zijn hand zette. Hij was de wegrenner die in 1964 de zwaarste klassieker Parijs-Roubaix in recordtijd won en daarnaast nog ruim honderd wedstrijden. Hij was de onbarmhartige ploegleider die van Nederland in de jaren zeven en tachtig een grote wielernatie maakte. Onder zijn leiding glorieerden de Nederlanders Roy Schuiten, Gerben Karstens, Jan Raas, Joop Zoetemelk, Gerrie Knetemann, Hennie Kuiper, Peter Winnen, Johan van der Velde, Henk Lubberding, Erik Breukink, Steven Rooks, Gert-Jan Theunisse en de buitenlanders Didi Thurau, Eddy en Walter Planckaert, Phil Anderson, Eric Vanderaerden, Olav Ludwig, Maurizio Fondriest en Vjatsjeslav Ekimov. En hij was de strenge regisseur van de zesdaagsen van Rotterdam en Maastricht, die hij in de jaren zeventig nieuw leven inblies.

Post had een fijnzinnig gevoel voor stijl en organisatie. Zelf droeg hij kleren en schoenen naar de laatste mode. Zijn renners moesten buiten de wedstrijd gekleed gaan in een onberispelijk uniform kostuum. Ploegdiscipline en teamgeest voerde hij in. Iedereen in dienst van de ‘firma’, zoals hij zijn sponsors TI Raleigh en Panasonic en Histor noemde. Hij introduceerde het ‘totaalwielrennen’, het systeem-Post: iedereen voor elkaar. Zo werden tal van klassiekers gewonnen en wereldtitels veroverd, zo won Joop Zoetemelk in 1980 onder regie van Post eindelijk de Tour de France en won de ploeg in dezelfde ronde elf etappes. ‘Rrrijen’ moesten ze, en dat deden ze, altijd en overal.

Door zijn charisma kweekte Post ontzag bij renners, andere ploegleiders, organisatoren, sponsors en journalisten. Wanneer ‘de lange’ binnenkwam, viel iedereen stil. Hij sprak krijgshaftige taal, een andere taal dan Nederlands beheerste hij niet. Maar iedereen wist wat hij bedoelde en wilde. Wie hem of zijn renners en werkwijze bekritiseerde, kreeg een kanonnade over hel en verdoemenis over zich heen. Wie op audiëntie in zijn stijlvol ingerichte bungalow in Amstelveen kwam, mocht op de witte leren bank zitten en luisteren naar een urenlange monoloog over winnen, koersinzicht en talent. Lyrisch sprak hij in staccato over pedaleurs met stijl en souplesse, flyers als de tijdrijders Roy Schuiten, Didi Thurau, Bert Oosterbosch en Erik Breukink. Woorden schoten hem dan tekort.

Post wist hoe je moest winnen. Hard en slim zijn, bluffen, onderhandelen, prepareren volgens de laatste kennis op medisch gebied, rijden op de beste fietsen, tot in perfectie. In alles moest zijn ploeg de beste zijn. Hij trok de beste mecaniciens (Jan Legrand) aan, en de beste soigneurs (Ruud Bakker), de beste en meest gedienstige assistent-ploegleiders (de Belg Jules de Wever) en de beste sponsors (het Engelse TI Raleigh en het Japanse Panasonic). Hij straalde de allure van een kampioen uit, dat moesten ook zijn renners en begeleiders doen. Met zakelijk vernuft vernieuwde Post de op aloude tradities gebouwde wielersport.

Post was een jongen van de straat. Zonder een vechtersmentaliteit viel niet te winnen, zo had hij geleerd. Hij was het achtste kind uit een rooms-katholiek gezin van de Amsterdamse slager Bertus Post. Hij besefte gauw dat mensen alleen konden slagen in het leven als zij het beste uit zichzelf haalden. Als 14-jarige slagerszoon fietste hij op zijn transportfiets hard door de stad. Zo fietste hij over de wielerbanen, zo fietste hij in recordtijd over de kasseien van Parijs-Roubaix. Wanneer hij als wielrenner zijn rug kromde, ging in het peloton de sirene af. Wanneer hij als ploegleider zijn bevelen gaf, gehoorzaamden zijn renners gedisciplineerd. Alleen zijn waarheid telde. Wie zich niet aan het systeem hield, werd zonder mededogen de deur gewezen.

Alleen Jan Raas sprak hem vaak tegen. Het Zeeuwse talent dat hij in 1975 in zijn ploeg opnam, voerde het liefst zijn eigen strategie en liet Post vaak wanhopig gissen naar het spel dat hij met eigen renners en renners van andere ploegen speelde. Maar Post kon niet zonder de bokkige Zeeuw, die in klassiekers en vlakke ronde-etappes de baas in het peloton was. Na twee jaar vertrok Raas omdat hij een beschermde rol wilde, maar hij keerde in 1978 terug. In 1983 kwam het tot een definitieve breuk. Een deel van de ploeg ging met de Zeeuw mee. Of het een geldkwestie was of een competentiestrijd, is nooit echt duidelijk geworden. Beiden waren te veel winnaar om elkaar te dulden.

Trouw bleef wel Henk Lubberding. Post, die tweemaal trouwde maar geen kinderen had, beschouwde de boerenzoon als zijn kind. Bij het afscheid van Lubberding als wielrenner in 1992 liet de onwrikbare Post zowaar zijn tranen de vrije loop. In 1995 nam hij afscheid als ploegleider. Hij was teleurgesteld in de nieuwe, mentaal zwakke generatie. Hij bleef de Raboploeg graag raad geven, want hij hield de koers nauwlettend in de gaten. Post wist hoe het zat. Hij kende de koers. Wie dat durfde te betwijfelen kreeg de wind van voren? Want er was maar één winnaar en dat was hij.