Een complexe dans van diplomaten rond Bos

Diplomatenpost

In de Nederlandse verhoudingen, waarin ministers soms kort aanblijven, kunnen ambtenaren een sleutelrol spelen. Daar profiteerden ze van, en de VS ook. Het idee geven van samen optrekken ,,is cruciaal in de omgang met de Nederlandse psyche.”

In de statige Haagse sociëteit De Witte, op een steenworp afstand van het Binnenhof, draaide de Amerikaanse politieke lobby op 3 september 2009 op volle toeren. De spil van de operatie was Ivo Daalder, de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO.

Nog geen drie maanden was Daalder, die opgroeide in Nederland, de vertegenwoordiger van president Barack Obama op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel. Onder president Clinton had hij in het Witte Huis gewerkt als lid van de Nationale Veiligheidsraad. Al vroeg sloot hij zich aan bij de verkiezingscampagne van Obama. En nu was hij als Amerikaan naar Den Haag gekomen om zijn voormalige vaderland ervan te overtuigen betrokken te blijven bij de oorlog in Afghanistan.

Daalder ging die dag voluit, blijkt uit een diplomatiek ambtsbericht waarin de Amerikaanse ambassade in Nederland verslag deed van zijn bezoek. ’s Morgens ging hij, vergezeld van de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag Fay Hartog Levin, langs bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar sprak hij eerst met Bert Koenders, minister van Ontwikkelingssamenwerking, PvdA’er en wat vooral belangrijk was: een van de vertrouwelingen van zijn partijleider Wouter Bos in het dossier-Afghanistan. En Bos, zo hadden de Amerikanen eerder dat jaar al van een ambtenaar van Buitenlandse Zaken gehoord, „was het enige lid van het kabinet dat niet akkoord is met de bijzonderheden van een voortgezette rol in Afghanistan”.

Koenders bleek niet helemaal afwijzend te staan tegen Daalders pleidooi voor voortzetting van de missie. Voor de PvdA, zei hij volgens het uitgelekte ambtsbericht, „moet er een component van ontwikkelingshulp in de missie zitten, de softe benadering, ook al ‘dacht hij zelf niet dat het soft was’ en wist hij dat er manschappen bij ‘zouden sneuvelen’.”

Daarop volgde op hetzelfde departement een apart gesprek met minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen, CDA’er, tegenspeler van Koenders en uitgesproken voorstander van verlenging van de missie – zoals hij Daalder verzekerde.

Tegen lunchtijd begaven Daalder, ambassadeur Levin en hun medewerkers zich naar het Plein, voor een cruciaal onderdeel van de Operatie Overtuig de Hollanders. In het monumentale pand van de meer dan 200 jaar oude sociëteit De Witte wachtte hen voor de maaltijd een select gezelschap van acht hoge ambtenaren – van Buitenlandse Zaken, van Defensie en van de staf van premier Jan Peter Balkenende.

In de Nederlandse verhoudingen, waarin ministers doorgaans maar een paar jaar zitten terwijl ambtenaren vaak jarenlang meedraaien in de top van hun departement, kan de topambtenaar een sleutelrol spelen. Bij de lunch zat Karel van Oosterom aan, raadsadviseur voor buitenlandse zaken van de premier, in het diplomatieke telegram omschreven als de Nederlandse Nationale Veiligheidsadviseur. Ook de ervaren diplomaat Pieter de Gooijer was er, directeur-generaal politieke zaken op Buitenlandse Zaken, en zijn evenknie op Defensie Lo Casteleijn.

Tijdens de maaltijd werd intensief gesproken over Afghanistan. Daalder waarschuwde dat het „bij uitstek schadelijk zou zijn als Nederland, een van de verstandigste bondgenoten, zich uit Afghanistan zou terugtrekken”. De ambtelijke top was hem goed gezind.

Tussen haakjes staat in het telegram een kleine, maar veelzeggende noot, voordat de tekst verder gaat met een verslag van de toespraak die Daalder ’s middags in De Witte hield („een volle zaal, er waren meer dan 150 parlementariërs, journalisten, diplomaten, academici en studenten”) gevolgd door een receptie ten huize van ambassadeur Levin – waar Daalder steeds zijn pleidooi voor blijven in Afghanistan herhaalde.

Die kleine noot, van niet meer dan twee zinnen, laat zien hoe een hoge ambtenaar, De Gooijer, de vertegenwoordiger van een vreemde mogendheid inschakelt om een minister van het Nederlandse kabinet te bewerken. „In een gesprek onder vier ogen na de lunch spoorde De Gooijer Daalder aan”, staat er in het telegram, „om [de Amerikaanse, red.] minister van Financiën Geithner te vragen of hij Bos wilde zeggen dat Nederland zonder een bijdrage in Afghanistan geen zetel in de G20 zou hebben”. Bos was het grootste obstakel op de weg naar verlenging. Wellicht zou hij door de knieën gaan voor een omsluierd Amerikaans dreigement dat het afgelopen zou zijn met de Nederlandse deelname aan de prestigieuze top van twintig grote economieën, als de missie in Uruzgan werd stopgezet.

Het voorstel leverde een complexe diplomatieke dans op. Twee weken na het bezoek van Daalder aan De Witte vroeg de Amerikaanse ambassade in Den Haag inderdaad aan Washington of een hoge functionaris Bos later die maand op de G20 in Pittsburgh wilde aanspreken – „idealiter de nationale Veiligheidsadviseur generaal Jones” (die dat vijf dagen later inderdaad deed) . Om niets aan het toeval over te laten, zo stelden de Amerikaanse diplomaten in hun ambtsbericht voor, zou het goed zijn als Richard Holbrooke, gezant voor Afghanistan en Pakistan, vervolgens weer Koenders opbelde „om zich ervan te verzekeren dat de boodschap bij Bos is aangekomen”.

Want dat sprak niet vanzelf. Balkenende, schrijven de Amerikanen, begrijpt sinds zijn bezoek aan president Obama tenminste dat de Nederlanders voor de G20 in Pittsburgh waren uitgenodigd vanwege hun rol in Afghanistan. Maar Bos denkt dat de Nederlanders mogen komen vanwege hun sterke economie en „hun substantiële inzichten in de internationale economie en financiën. Daarin werd hij nog gesterkt door uitlatingen van kroonprins Willem-Alexander, die na zijn bezoek aan het Witte Huis had gezegd dat de president de Nederlanders als permanente leden van de G20 wil (‘De president gaf aan dat hij de Nederlandse inbreng echt waardeert’).”

In een politiek gewichtige zaak als een missie in Afghanistan doen niet alleen de Amerikanen hun best Nederlandse politici en ambtelijke beleidsmakers voor hun politieke doelen te winnen en in te zetten. Zo vlogen zij in 2004 de toenmalige minister Kamp van Defensie en een aantal parlementariërs naar het oorlogsschip USS Enterprise, om op volle zee rustig met elkaar van gedachten te wisselen over Afghanistan, een uitstapje, inclusief overnachting, dat zeer aan de Nederlanders besteed was, aldus een van de uitgelekte telegrammen.

Andersom gebruiken Nederlandse ambtenaren hun goede relaties met supermacht Amerika in de nationale politieke arena. Het is een wisselwerking waar beide partijen van profiteren. De interventie van ambtenaar De Gooijer was geen uitzondering, blijkt uit de uitgelekte diplomatieke ambtsberichten van de Amerikaanse ambassade in Den Haag. Ook andere hoge functionarissen, onder wie Balkenendes buitenlandadviseur Van Oosterom, vroegen de Amerikanen meer dan eens om Bos de ware reden van de uitnodiging voor de G20 aan het verstand te brengen. „Ze klagen: ‘he just doesn’t get it’ – het dringt gewoon niet tot hem door”, meldt een telegram. Extra lastig was dat voor toenmalig premier Balkenende, die deelname aan de G20 blijkens de Amerikaanse ambtsberichten beschouwde als „een cruciale maatstaf voor Nederlands internationale statuur”.

Twee maanden later deed Van Oosterom opnieuw een beroep op de Amerikanen. Hij „zei dat het nuttig zou zijn”, meldt een ambtsbericht, „wanneer de president of de vicepresident bij de presentatie [van de nieuwe Amerikaanse strategie voor Afghanistan, red.] de premier zou bellen, om steun te vergaren voor een besluit over Afghanistan na 2010”. Ook dat verzoek wordt ingewilligd, als de Amerikaanse vicepresident Joe Biden Balkenende begin december opbelt.

Hoe nauw de banden zijn van sommige ambtenaren met de vertegenwoordigers van de VS, blijkt uit een telegram over de Amerikaanse pogingen andere landen gevangenen uit Guantánamo Bay te laten opnemen. Hoewel Verhagen de Tweede Kamer al heeft laten weten dat Nederland niet van plan is Guantánamo-gevangenen te accepteren, stelt een Amerikaanse diplomaat in een van de uitgelekte telegrammen dat het toch een goed idee zou zijn als de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton het idee nog eens discreet bij Verhagen aan de orde stelt. En in een telegram in 2007, verstuurd door de Amerikaanse vertegenwoordiging bij de NAVO, staat dat een Nederlandse diplomaat vraagt of Washington „met een toon van milde teleurstelling” zou willen reageren op een Nederlands besluit de troepen de troepenmacht in Uruzgan met een derde te verminderen. Want die Amerikaanse teleurstelling zal goed vallen bij de Nederlandse publieke opinie.

Uit de Amerikaanse telegrammen blijkt ook dat de Nederlandse diplomaten het soms lang niet makkelijk hadden. Een van hen, De Groot, vertelde zijn Amerikaanse collega’s dat hij een telefoontje kreeg van Koenders om voor de ministerraad een notitie te schrijven dat een verlenging van de militaire missie in geen geval langer dan 18 maanden mocht duren. Vijf minuten later kreeg dezelfde ambtenaar Verhagen aan de lijn, die hem opdroeg een notitie te maken dat een verlenging zeker dertig maanden moest duren.

Nederland, zo beseffen de Amerikanen blijkens de diplomatieke ambtsberichten, heeft intensieve zorg nodig en moet je voorzichtig aanpakken.

In 2004 formuleerde een Amerikaanse diplomaat het zo: „De Nederlanders willen aan de ene kant een speler zijn, die serieuze verantwoordelijkheid neemt. Maar aan de andere kant zijn ze bang slachtoffers te maken of te moeten incasseren”. En vooral doen alsof we optrekken als gelijken, schrijft een diplomaat in 2009, „is erg cruciaal in de omgang met de Nederlandse psyche”.