De niet-voortboerende zonen gingen studeren ja

In haar column over de sociale mobiliteit van de jonge generaties (Opinie, 5 januari) heeft Louise O. Fresco het onder meer over de sociale mobiliteit van boerenzonen en dan vooral de zonen die haar jaargenoten waren aan de Landbouwhogeschool te Wageningen. Wat zij onvermeld laat, is dat veel van die zonen thuis waren afgevallen in de race om de erfopvolging. Die erfopvolging behelsde dat van de kinderen van een boer het bedrijf overnam. Dat kon de oudste zoon zijn maar ook, als er een oudste dochter was, die dochter, als ze tenminste een ervende boerenzoon aan de haak geslagen had: feest, want door het samengaan ontstond een levensvatbaarder bedrijf.

De andere kinderen mochten dan gaan doen wat ze beliefden: doorleren was dan vaak het geval. Dan werden ze – ik spreek uit mijn eigen hbs-tijd eind jaren vijftig tot half jaren zestig – jurist, econoom, theoloog en soms zelfs kunstenaar. Hun voortboerende broer of zus betaalde uit de opbrengt van het landbouwbedrijf hun erfenis uit, vader en moeder bouwden een bungalowtje naast de boerenhofstede, deden nog wat mee op het bedrijf en werden uiteindelijk door hun voortboerende kind verzorgd. Iedereen tevree.

Sommige van die niet-voortboerende kinderen gingen naar Wageningen. Soms troffen ze daar een huwbaar boerenkind, zodat ze alsnog in het agrarisch bedrijf terechtkwamen. Een enkeling, en daar heeft Fresco het over, vond de wetenschap als zodanig leuk en leerde nog verder, tot aan een promotie toe. Bij die promotie zaten dan de trotse ouders, broers en zussen en ooms en tantes. Zo ging dat. Maar schering en inslag was het zeker niet. En sociale mobiliteit al helemaal niet, het ging om de familiecenten en het bijeenhouden van het boerenbedrijf.

Jan Stoof

Geervliet