Dag Peter

Met de ploegenvoorstelling van het peloton verlaat ik de stille paniek van de winter. In het vooruitzicht van de Tour Down Under, de Ruta del Sol, de Ronde van de Middellandse Zee zweef ik nu al op tubes van geluk.

Veldrijden was troostend, als interregnum, maar slijkduivels zijn vaak onherkenbaar. Blubber neemt de schoonheid van onthaarde benen, holle ogen, een grijns van uitputting mee naar een leven dat achter langs de huizen gaat. Wel een fantastische sport – wisten ze dat maar bij Studio Sport.

Enfin, ik verlang nu naar frisse jongens op een glimmende fiets. Naar catwalk van renners in nieuwe shirtjes. Het shirt van een wielrenner is een sacrament. Vroeger wilde ik ook een Carpano, een Molteni of een Faema zijn. Gedrapeerd naar Coppi, Van Looy en Merckx. Mooie, mysterieuze sponsornamen die van ver over de bergen kwamen, en nog een mytische klank hadden, anders dan Rabo, Saxo Bank of Cofidis nu.

In zijn tijd was Peter Post wel drie maanden lang bezig met het zoeken naar de juiste shirtjes voor zijn team. Ieder detail was van levensbelang. Hij koos altijd voor strak en klassiek: geen brandstapels op de borst van zijn jongens. Hij verdiepte zich in elke vezel. Ik hoor het hem nog zeggen: „De letters van een merknaam moeten altijd naar beneden lopen, anders krijg je ze op televisie niet voluit in beeld.”

Peter Post: keizer van het detail.

Niets ontging hem. Op de ochtend van een lenteklassieker stuurde hij Maurizio Fondriest terug naar de kamer omdat er een koffievlek op zijn witte sokken zat. Zelf liep Peter er ook altijd pico bello bij. Hemden van Corneliani in smetteloos wit. Mocassins van Sergio Rossi. Soms een zijden sjaaltje.

De laatste jaren verbleef hij vaak in Knokke. Iedereen keek altijd om als Peter voorbij schreed, in de goedmoedige versie van een Mitterrandtred. Staatsie en elegantie, maar nu van binnenuit. Nog mooier: het hoofd uit rotsen gebeiteld.

Toch een verlegen mens.

Hij sprak bijna nooit over zichzelf. Carrièrevragen ging hij altijd behendig uit de weg. Over zijn ongeëvenaarde klasse als ploegleider zei hij alleen: „Het systeem Post bestaat niet, de renners zijn het systeem.”

Iedereen wist: harder dan Peter Post word je als renner niet geboren. Karwatscoureur die geen kassei in het bos van Wallers vreesde. Zijn liefde voor Parijs-Roubaix heeft nooit meer opgehouden. Tijd voor een gezellig diner of uitstapje was er altijd, maar niet de zondag van Parijs-Roubaix. Dan mocht je ook zijn huis niet in.

Parijs-Roubaix als sacristie.

Bij Post kon je niet terecht voor ranzige verhalen over doping en combines, over verraad en achterbaksheid. Zowel zijn leven als renner als dat als ploegleider was verzegeld. Niet uit schuld of schaamte – gewoon omdat hij de kwetsbaarheid van het wielrennen wilde eren. Aan hem geen carrousel van verdachtmakingen. Gezonde pleinvrees, noemde hij dat.

De lengte van zijn pezige lichaam had soms iets afschrikwekkends. Om Peter Post te benaderen moest je wel een stap zetten. Maar in tegenstelling tot de beeldvorming was hij niet de Louis van Gaal avant la lettre. Er kleefde weinig sergeantenmoraal aan Peter Post. Juist niet.

Wel een absolute liefde voor het vak, in de antieke opvatting dat renners elkaar total loss horen te rijden. Zoals hij dat zelf ook deed.

Rik van Looy weet het als geen ander: „Als Post aan de kop van het peloton ging sleuren, brak je zadel.”

Man van de Zesdaagse, natuurlijk. Nachtrenner dus, die later avondmens is geworden. Peter was nooit gehaast om naar bed te gaan. Ik proef nu de weemoed van de uren waarin hij over zijn jeugd vertelde, over zijn droom om van slagersjongen uit te groeien tot een keten van slagerijen met niets dan prachtige hammen in de etalage. Onder schreeuwend neonlicht.

Op avonden in Knokke kruimelde de systeemdenker helemaal weg tot een silhouet op de tast. Naar rust, naar een kleiner formaat van geluk, naar een surplace. Dan werd legende skelet tot er uiteindelijk een zachte, welhaast ongewapende man overbleef. Bij vlagen zo onzeker en weerloos in het cliché van onweerspreekbaarheid dat hij begon te stotteren.

Alweer jaren geleden had hij eigenlijk afscheid genomen van zijn grote liefde, wielrennen. Het milieu werd hem te nuffig, te veel nevenverschijnsel. De teloorgang van het epos in een flou van gel maakte hem verdrietig.

Zijn Amsterdamse tongval weerklonk onverminderd als galm. Maar ik ken geen topsporter die zo gereserveerd was in emotie en euforie als Peter Post. We hebben de laatste jaren samen vaak een fazantje genuttigd, maar tot bedgeheimen kwam het niet. Hij zei altijd: „Sorry, er zit een muur in mij.”

Oké dood, gooi er maar keramieken tegeltjes tegenaan.